ECLI:NL:RBROT:2022:4300

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 mei 2022
Publicatiedatum
2 juni 2022
Zaaknummer
C/10/635083 / JE RK 22-610
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 Wet beëdigde tolken en vertalers
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging uithuisplaatsing kinderen met plan tot terugplaatsing binnen een maand

De rechtbank Rotterdam behandelde een zaak over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen die in een pleeggezin verblijven. De gecertificeerde instelling (GI) verzocht om verlenging vanwege zorgen over de opvoedsituatie en de onveilige hechtingsrelaties met de ouders, mede veroorzaakt door psychiatrische problematiek van de moeder en het gebrek aan inzicht bij de ouders.

De ouders verzetten zich tegen het verzoek en stelden dat zij openstaan voor hulpverlening en dat het perspectief van de kinderen thuis ligt. Zij boden oplossingen aan om de zorg te ondersteunen, zoals hulp van opa en oma en buitenschoolse opvang. De oudste zoon woont nog thuis, wat volgens hen aangeeft dat terugplaatsing mogelijk is.

De kinderrechter concludeerde dat de omstandigheden die tot de uithuisplaatsing leidden zijn veranderd, onder meer door medicatie en ambulante hulp voor de moeder en het feit dat de vader nu thuis is. De rechter vond dat met passende hulp de kinderen weer thuis kunnen wonen en dat het verplaatsen binnen pleeggezinnen ook risico's met zich meebrengt. Daarom werd de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd voor één maand om een plan voor terugplaatsing uit te werken en hulpverlening te starten.

Het overige verzoek van de GI werd afgewezen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en er is mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen wordt verlengd met één maand om een plan voor terugplaatsing thuis uit te werken; het overige verzoek wordt afgewezen.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
zaakgegevens: C/10/635083 / JE RK 22-610
datum uitspraak: 13 mei 2022

beschikking verlenging uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west,

hierna te noemen de GI, gevestigd te Dordrecht,
betreffende

[naam minderjarige 1] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige 1] 2011 te [geboorteplaats minderjarige 1] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 1] ,
[naam minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum minderjarige 2] 2021 te [geboorteplaats minderjarige 2] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats] ,

[naam vader] ,

hierna te noemen de vader, wonende te [woonplaats] .

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 15 maart 2022, ingekomen bij de griffie op diezelfde datum.
Op 29 april 2022 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.
Gehoord zijn:
- de moeder en de vader, bijgestaan door zijn advocaat mr. P.A. Ellenbroek,
- een vertegenwoordigster van de GI, mw. [naam vertegenwoordigster] .
Aangezien de moeder de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is, maar wel de taal Mandarijn, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van dhr. [naam tolk] , tolk in taal Mandarijn. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van Pro de Wet beëdigde tolken en vertalers.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] wordt uitgeoefend door de ouders.
[voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verblijven in een pleeggezin.
De oudste zoon [naam kind] (13 jaar) verblijft bij de ouders.
Bij beschikking van 9 november 2021 zijn [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 9 november 2022.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 31 januari 2022 ook de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 9 mei 2022.
De kinderrechter heeft na de behandeling van de zaak op 29 april 2022 mondeling bepaald dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] met 1 week wordt verlengd en dat op 13 mei 2022 uitspraak wordt gedaan.

Het verzoek

De GI heeft verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De GI heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. Er zijn al langere tijd zorgen over de opvoedomgeving en opvoedcapaciteiten van de ouders. Begin april is door de GI een opvoedbesluit genomen. De GI heeft besloten dat [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] niet terug kunnen naar de ouders. Bij de ouders wordt de wil gezien om het goed te doen, maar is er sprake van een te marginale opvoedbasis om de kinderen ook daadwerkelijk terug te plaatsen. De kinderen kampen met een onveilige hechtingsrelatie met de ouders. De ouders zijn onmachtig. Ondanks dat er kleine stappen worden gezet door de ouders, missen zij het inzicht en bagatelliseren zij de zorgen die aanwezig zijn. De kinderen hebben trauma-gerelateerde klachten en de ouders hebben daar geen tot weinig inzicht in. Zij herkennen deze klachten niet en kunnen hier dus ook niet adequaat op handelen. De psychiatrische problematiek van de moeder speelt hierbij mede een rol en heeft invloed op haar opvoedcapaciteiten. Ook bij de vader wordt de erkenning in de problematiek niet gezien. Er zijn verschillende hulpverleningstrajecten ingezet, maar het patroon lijkt niet te keren. [voornaam minderjarige 1] is recent overgeplaatst naar een ander pleeggezin naar aanleiding van een incident tussen de vader en de pleegmoeder (buurvrouw). [voornaam minderjarige 1] verblijft nu in hetzelfde pleeggezin als haar broertje [voornaam minderjarige 2] . Met [voornaam minderjarige 1] gaat het goed bij het pleeggezin, echter wordt gezien dat zij zich terugtrekt en incidenten uit het verleden herbeleeft. De GI acht het van belang dat er op korte termijn duidelijkheid ontstaat voor de kinderen zodat er behandeling, waaronder MST, kan starten die zich richt op hun klachten. Echter moet het perspectief van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] duidelijk zijn voordat deze behandelingen gestart kunnen worden. Daarna kan worden ingezet op het vormgeven van een omgangsregeling met de ouders.

Het standpunt van de ouders

De ouders verzetten zich, mede bij monde van hun advocaat, tegen het verzoek van de GI. Tijdens de vorige zitting is met alle partijen besproken dat het perspectief van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] thuis ligt. De ouders accepteren alle hulpverlening die hen aangeboden wordt. Deze hulpverlening stagneert echter vanuit de kant van de GI, omdat volgens hen eerst het perspectief moet worden vastgesteld en dan pas therapie voor de kinderen kan starten. De vader geregeld dat hij voor zijn werk niet meer naar het buitenland hoeft. Hierdoor is hij elke avond thuis om voor de kinderen te zorgen. Ook de moeder laat na haar opname bij Antes een positieve ontwikkeling zien. De moeder ontvangt ambulante hulpverlening en medicatie. In de omgangsverslagen is te lezen dat er sprake is van een positieve ontwikkeling. De ouders achten het van groot belang dat [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] de juiste hulpverlening ontvangen. Er moet daarom op zeer korte termijn geschikte hulpverlening voor de kinderen worden opgestart. Vanuit de GI wordt er niks geregeld.
De ouders hebben oplossingen aangeboden om zichzelf te ontlasten, zodat een thuisplaatsing mogelijk wordt. De opa en oma vz willen graag helpen waar dat mogelijk is en ook zou buitenschoolse opvang ingezet kunnen worden via de medische indicatie van de moeder. Door deze oplossingen wordt de moeder ontlast in de zorgen voor de kinderen wanneer de vader aan het werk is.
Tenslotte wordt het steeds verplaatsen van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] naar een ander pleeggezin gezien als een groot risico. Door de uithuisplaatsing en het verplaatsen binnen pleeggezinnen kan de hechtingsproblematiek toenemen. De enkele reden dat de kinderen uit huis zijn geplaatst omdat de ouders opvoedondersteuning behoeven is te marginaal. De zoon van de ouders, [naam kind] , woont ook thuis en dit gaat goed. De kinderen hebben zo snel mogelijk veiligheid en duidelijkheid nodig. Nu de gronden voor een uithuisplaatsing niet langer aanwezig zijn, is door en namens de ouders verzocht het verzoek van de GI af te wijzen.

De beoordeling

Het uitgangspunt van de wetgever is dat kinderen opgroeien bij hun biologische ouders. Dit is ook in verschillende internationale verdragen verankerd. Op basis van de stukken en de standpunten ter zitting is de kinderrechter van oordeel dat onvoldoende duidelijk is dat de kinderen niet meer thuis kunnen wonen. De kinderrechter legt hieronder uit waarom hij dit oordeel heeft.
De moeder is gediagnosticeerd met schizofrenie. In oktober vorig jaar ging het dusdanig slecht met haar dat zij verplicht is opgenomen. De vader was op dat moment voor zijn werk in het buitenland, waardoor hij niet voor de kinderen kon zorgen. Een uithuisplaatsing was op dat moment noodzakelijk. Hierbij zijn de kinderen blootgesteld aan onveilig en agressief gedrag van de moeder. De GI maakt zich na dit incident terecht zorgen over de reeks van gebeurtenissen uit het verleden, waarbij er sprake is geweest van onveiligheid voor de kinderen. Hiervoor is een tijdlijn gemaakt met escalaties in het gezin, waardoor de GI spreekt van een patroon. Ook zijn er vermoedens van hechtingstoornissen bij de kinderen.
De vraag is echter of met de inzet van passende hulpverlening niet een situatie kan worden bereikt die ‘goed genoeg’ is of misschien zelfs wel beter dan dat. Belangrijk is hierbij dat tijdens de vorige zitting door alle partijen de wens is uitgesproken om de kinderen weer thuis te plaatsen. Ook is in september 2021 door de Raad een ondertoezichtstelling verzocht, maar dit verzoek is aangehouden omdat de GI en de school eigenlijk geen zorgen zagen. Er was sprake van een positieve ontwikkeling en een veilige opvoedsituatie. De kinderrechter begrijpt dat de situatie in september een momentopname is geweest. Een maand later ging het immers weer mis. Maar op dit moment is de moeder ontslagen uit de kliniek en heeft zij medicatie via depot gekregen. Hierdoor worden de episodes die aanleiding hebben gegeven tot de uithuisplaatsing tegengegaan. De vader heeft afspraken gemaakt met zijn werkgever, waardoor hij niet meer in buitenland hoeft te werken en dus ’s ochtends en ’s avonds thuis is. De omstandigheden die aanleiding hebben gegeven voor de uithuisplaatsing zijn met andere woorden veranderd. Daar komt bij dat [naam kind] , de oudste zoon van 13, nog steeds thuis woont, waardoor blijkbaar voor hem de lat van een uithuisplaatsing niet zonder meer gehaald wordt. Ook blijkt uit de verslagen van zorgverlener Eddee dat de ouders hun best doen om een warme omgeving voor hun kinderen te creëren, waarbij met name de vader stappen lijkt te zetten door de tips die hij krijgt. De moeder verzorgt het eten en doet andere huishoudelijke taken. Duidelijk is dat de ouders meewerken en openstaan voor hulp.
Wel ziet Eddee grote zorgen op het gebied van structuur en regelmaat en het aansluiten bij de behoeften van de kinderen die zich alle drie in verschillende levensfases bevinden. Ook lijken de ouders de zorgen rondom de kinderen te bagatelliseren. De ouders hebben volgens Eddee meer hulp nodig. Welke hulp dat is, wordt niet gezegd.
Met de door de advocaat genoemde oplossingen is de kinderrechter van oordeel dat de gesignaleerde zorgen kunnen worden weggenomen en de kinderen weer thuis kunnen wonen. Op dit moment heeft het gezin te weinig geld om de kosten voor de opvang te dragen. Op basis van de ziekte van de moeder kan een medische indicatie worden aangevraagd, waardoor de kosten voor de opvang worden vergoed. [voornaam minderjarige 2] kan dan naar een kinderdagverblijf en [voornaam minderjarige 1] naar de buitenschoolse opvang. Oma vaderszijde is kraamverzorgster geweest. Samen met de opa kunnen zij ook een rol spelen om de kinderen op te vangen. Hierdoor wordt de moeder ontlast in de zorg voor de kinderen wanneer de vader aan het werk is. Andersom hebben de kinderen mensen om hun heen die hun veiligheid in de gaten houden en hun extra stimuleren ten behoeve van hun ontwikkeling.
Daarbij geeft de advocaat naar het oordeel van de kinderrechter terecht aan dat de kinderen hulp moeten krijgen om zaken uit het verleden te verwerken én moeten leren dat hun moeder ziek is (gehechtheid en psycho-educatie). Dit is tot op heden nog niet gebeurd, omdat de GI na overleg met de hulpverleners van Basic Trust (training bij problematische gehechtheid) ervoor heeft gekozen deze hulp te gaan zetten als duidelijk is waar de kinderen gaan opgroeien. Hierdoor lijkt het huidige opvoedbesluit logisch, want de kinderen hebben de nodige duidelijkheid en kunnen gaan starten met therapie. Maar de kinderrechter is van oordeel dat eerst moet worden geprobeerd of met de juiste hulp de kinderen thuis kunnen wonen. Deze beschikking verschaft ook de benodigde duidelijkheid, waardoor alsnog kan worden begonnen met therapie vanuit de thuissituatie. De ouders staan hier ook achter.
De kinderrechter begrijpt dat terugplaatsen gelet op de verstoorde gehechtheid een risico is. Tegelijkertijd zijn de kinderen inmiddels doorgeplaatst naar een ander pleeggezin. Ook in de situatie van een uithuisplaatsing zijn met andere woorden grote risico’s op verdere verstoring van de gehechtheid van de kinderen.
Gelet hierop is de kinderrechter van oordeel dat niet langer voldaan wordt aan de eisen van de wet en de kinderen terug naar huis gaan. Belangrijk hierbij is wel dat de ouders de aangeboden hulp blijven accepteren en ook de opa en oma concreet een bijdrage gaan leveren in de opvoeding van de kinderen. Het concretiseren van de besproken opties kost enige tijd. De kinderrechter zal daarom de machtiging tot uithuisplaatsing verlengen voor de duur van een maand, zodat een plan kan worden gemaakt en aanmeldingen voor de hulpverlening kunnen worden gedaan. Ook kunnen de kinderen dan stapsgewijs worden teruggeplaatst. De GI heeft hierin de regie.

De beslissing

De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg tot 13 juni 2022;
wijst het verzoek voor het overige af;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr T. van den Akker, kinderrechter, in tegenwoordigheid van A.J.E. van der Veer als griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2022.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.