ECLI:NL:RBROT:2022:44

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 januari 2022
Publicatiedatum
4 januari 2022
Zaaknummer
20/2767
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzet wegens ontbreken gronden en niet tijdig herstel

Opposante heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van 3 maart 2021 waarin haar beroep tegen een besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ongegrond werd verklaard. De rechtbank heeft in deze verzetprocedure onderzocht of het verzet ontvankelijk was, waarbij zij ambtshalve toetste of het verzetschrift voldeed aan de wettelijke eisen.

Uit het verzetschrift bleek dat opposante geen concrete gronden van verzet had ingediend, maar slechts een verzoek om haar brief mondeling toe te lichten. De rechtbank wees opposante bij aangetekend schrijven op het ontbreken van gronden en gaf haar een termijn om dit te herstellen, met de mogelijkheid tot uitstel op gemotiveerd verzoek.

Opposante heeft binnen de gestelde termijn geen gronden ingediend en ook geen uitstelverzoek gedaan. Daarom verklaarde de rechtbank het verzet niet-ontvankelijk. Er is geen proceskostenveroordeling uitgesproken. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzet is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden en het niet tijdig herstellen van het verzuim.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 20/2767 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 januari 2022 op het verzet van

[naam opposante], te [woonplaats opposante], opposante.

Procesverloop

Opposante heeft tegen de beslissing op bezwaar van De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 28 april 2020 (het bestreden besluit) beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 3 maart 2021 heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard.
Opposante heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
De rechtbank heeft het verzet op 26 november 2021 op zitting behandeld. Opposante is verschenen.

Overwegingen

1. In deze verzetprocedure moet de rechtbank de vraag beantwoorden of zij bij de uitspraak van 3 maart 2021 het beroep van opposante terecht met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vereenvoudigd heeft behandeld, omdat zij tot het oordeel kwam dat het beroep kennelijk ongegrond was. Dit betekent dat de beoordeling van de rechtbank in deze verzetprocedure beperkt is tot de vraag of terecht uitspraak is gedaan zonder opposante op zitting te horen. Als in verzet argumenten naar voren worden gebracht, die in geval van een normale behandeling ook nog hadden kunnen worden aangevoerd, moet worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over de uitkomst. Zo ja, dan is het verzet gegrond en moet nader onderzoek plaatsvinden.
2. Alvorens tot beantwoording van voormelde vraag over te gaan dient de verzetrechter ambtshalve te toetsen of het verzetschrift voldoet aan de daaraan ingevolge de Awb te stellen eisen.
3. Op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb bevat het beroepschrift onder andere de gronden van het beroep. Als dat niet het geval is, kan de rechtbank na een herstelmogelijkheid het beroep op grond van artikel 6:6 aanhef Pro en onder a, van de Awb niet-ontvankelijk verklaren. Deze bepalingen zijn in artikel 8:55, tweede lid, van de Awb voor het indienen van een verzetschrift van overeenkomstige toepassing verklaard.
4. De rechtbank stelt vast dat opposante bij brief van 25 maart 2021 verzet heeft gedaan tegen de uitspraak van de rechtbank van 3 maart 2021. In dit op 25 maart 2021 door de rechtbank ontvangen verzetschrift staat slechts vermeld dat opposante een verzoek wil indienen om haar brief mondeling toe te lichten, gezien het feit dat haar aanvraag meerdere keren is afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank kan het voorgaande niet worden aangemerkt als gronden die zijn gericht tegen de uitspraak waarvan verzet, zodat daarmee niet is voldaan aan de hiervoor aangehaalde wettelijke bepalingen.
5. Bij aangetekend schrijven van 14 september 2021 is opposante erop gewezen dat de gronden van verzet nog moeten worden ingediend. Aan opposante is verzocht het verzuim te herstellen binnen twee weken na de datum van verzending van de brief. In de brief staat dat slechts in uitzonderlijke gevallen uitstel van deze termijn mogelijk is, waartoe vóór afloop van de termijn een gemotiveerd schriftelijk verzoek moet worden gedaan aan de rechtbank. Tevens is vermeld dat het verzet door de rechtbank niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien niet binnen de gegeven termijn aan het verzoek tot kenbaar maken van de gronden van verzet wordt voldaan. Uit de track en trace gegevens blijkt dat de aangetekende brief (met zendingsnummer [nummer]) op 15 september 2021 om 16:51 door opposante is afgehaald bij een PostNL punt, en dat zij daarvoor heeft getekend.
6. Vastgesteld moet worden dat opposante desondanks geen gronden van verzet heeft ingediend binnen de gegeven termijn. Evenmin is door opposante voor afloop van de termijn om uitstel gevraagd.
7. Het verzet is daarom niet-ontvankelijk.
8. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.I. Blagrove, rechter, in aanwezigheid van
mr.C.I. Kieviet, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2022.
De griffier en de rechter zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.