ECLI:NL:RBROT:2022:4415

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 mei 2022
Publicatiedatum
7 juni 2022
Zaaknummer
10/202400-19
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 279 SvArt. 10 OpiumwetArt. 3a Opiumwet
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs betrokkenheid bij voorbereidingshandelingen MDMA-productie

De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van betrokkenheid bij de voorbereidingshandelingen voor de productie van MDMA in een bedrijfspand te Bergschenhoek. De ten laste gelegde feiten betroffen het aanwezig hebben van grote hoeveelheden MDMA, hennep en hasj, alsmede de aanwezigheid in het bedrijfspand waar de productie plaatsvond.

Tijdens de terechtzittingen werd vastgesteld dat er drie mondkapjes met DNA van verdachte in het pand waren gevonden, evenals telefoongegevens die contact met een zendmast nabij het pand aantoonden. Ondanks deze aanwijzingen oordeelde de rechtbank dat het bewijs onvoldoende was om wettig en overtuigend vast te stellen dat verdachte strafrechtelijk betrokken was bij de voorbereidingshandelingen.

De rechtbank nam mee dat het DNA op de mondkapjes uit epitheel bestond en dat verdachte bevriend was met een reeds veroordeelde medeverdachte, waardoor het DNA ook via verplaatsing van de mondkapjes in het pand kon zijn gekomen. De telefoongegevens waren te beperkt om aanwezigheid of betrokkenheid te bewijzen.

De officier van justitie had vrijspraak gevorderd voor de eerste twee feiten en bewezenverklaring voor het derde feit, met een gevangenisstraf en geldboete. De rechtbank volgde dit niet en sprak verdachte vrij van alle feiten. Tevens werd het in beslag genomen geld en een blauwe Nokia-telefoon teruggegeven aan verdachte, terwijl twee andere telefoons in bewaring werden gegeven voor de rechthebbende.

Deze uitspraak benadrukt het belang van wettig en overtuigend bewijs voor strafrechtelijke betrokkenheid, waarbij zelfs belastende aanwijzingen onvoldoende kunnen zijn zonder sluitende bewijsvoering.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van betrokkenheid bij voorbereidingshandelingen MDMA-productie.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1
Parketnummer: 10/202400-19
Datum uitspraak: 10 mei 2022
Tegenspraak (art. 279 Sv Pro)
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[naam verdachte],
geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres verdachte],
gemachtigd raadsman mr J.C.B. Dionisius, advocaat te Breda.

1..Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 3 maart 2020, 15 april 2021 en 21 april 2022.

2..Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting van 3 maart 2020 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3..Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. R.W.J. Kerckhoffs heeft gevorderd:
  • vrijspraak van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;
  • bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde;
  • veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 maanden met aftrek van voorarrest, alsmede een geldboete ter hoogte van € 5.000,-;
  • verbeurdverklaring van de drie in beslag genomen telefoons.

4..Waardering van het bewijs

4.1.
Vrijspraak zonder nadere motivering (feiten 1 en 2)
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.
4.2.
Vrijspraak feit 3
4.2.1.
Inleiding
Op 4 april 2019 heeft een medewerker van een bouwmarkt een melding gemaakt over drie mannen die goederen hebben gekocht die mogelijk zijn bestemd voor de opbouw van een hennepkwekerij. Op 17 april 2019 heeft de politie een van de drie mannen aangehouden in een bedrijfspand aan de [adres]. Bij de doorzoeking van het bedrijfspand is een grote hoeveelheid wit poeder, 600 gram hennep en 400 gram hasj aangetroffen, alsmede diverse goederen voor het produceren van MDMA-tabletten. Uit onderzoek van het NFI is gebleken dat het witte poeder onder andere 5.515 kilo MDMA, 20 kilo cellulose en 8 kilo magnesiumstearaat bevat.
Bij vonnis van deze rechtbank van 15 oktober 2019 is de in het pand aangehouden man veroordeeld voor het plegen van voorbereidingshandelingen ten behoeve van het produceren van synthetische drugs en het voorhanden hebben van MDMA, hennep en hasj. Een van de andere bij de bouwmarkt gesignaleerde mannen is geïdentificeerd als de verdachte in de onderhavige zaak.
4.2.2.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen en heeft daartoe, samengevat, het volgende aangevoerd. In de keuken van het bedrijfspand zijn drie mondkapjes aangetroffen met daarop DNA-sporen van de verdachte. Deze mondkapjes zijn aangetroffen voorafgaand aan de COVID-19 pandemie en worden gebruikt bij de productie van MDMA. Daarnaast heeft één van de telefoons van de verdachte in de periode van 1 januari 2019 tot en met 30 april 2019 tweemaal contact gemaakt met de zendmast die is gelegen op ongeveer 250 meter afstand van het bedrijfspand. Uit het voorgaande volgt dat de verdachte in het bedrijfspand werkzaam is geweest en de voor de bereiding van MDMA aangetroffen goederen voorhanden heeft gehad.
4.2.3.
Beoordeling
De vraag die door de rechtbank dient te worden beantwoord, is of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte strafrechtelijke betrokkenheid heeft gehad bij de aangetroffen productielocatie voor XTC-pillen. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
Hoewel het aantreffen van drie mondkapjes met daarop DNA van de verdachte belastend lijkt, is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om te kunnen concluderen dat de verdachte in het bedrijfspand aan [adres] aanwezig is geweest, laat staan dat hij strafrechtelijke betrokkenheid heeft gehad bij het plegen van de ten laste gelegde voorbereidingshandelingen. Uit het dossier blijkt dat het aangetroffen DNA van de verdachte op de mondkapjes bestaat uit epitheel en niet uit speeksel. Gebleken is dat de verdachte bevriend is met de veroordeelde man en dat zij regelmatig bij elkaar in de auto zaten. Niet valt uit te sluiten dat de verdachte de mondkapjes op enig moment heeft vastgehouden, waarna deze door de veroordeelde man mee het bedrijfspand in zijn genomen. Het gaat om verplaatsbare objecten, waarvan niet is vast te stellen wanneer en door wie deze op de betreffende locatie in het bedrijfspand zijn neergelegd. De mondkapjes zijn bovendien niet aangetroffen in de ruimte waar zich de verdovende middelen en de poductiemiddelen bevonden. Dat een telefoon van de verdachte in een periode van vier maanden tweemaal de zendmast in de nabijheid van het bedrijfspand heeft aangestraald, is te mager om het oordeel van de rechtbank anders te maken.
4.2.4.
Conclusie
Het onder 3 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

5..In beslag genomen voorwerpen

5.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het in beslag genomen geldbedrag ter hoogte van € 1.140,- wordt teruggegeven aan de verdachte. Ten aanzien van de drie in beslag genomen telefoons heeft de officier van justitie gevorderd dat deze verbeurd worden verklaard, nu feit 3 met behulp van deze voorwerpen is begaan.
5.2.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het in beslag genomen geldbedrag en de telefoon van de verdachte, een blauwe Nokia, moeten worden teruggegeven aan de verdachte. De overige twee telefoons zijn niet van de verdachte en hoeven niet aan hem te worden teruggegeven.
5.3.
Beoordeling
Nu de rechtbank de verdachte vrijspreekt, zal zij een last geven tot teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen geldbedrag ter hoogte van € 1.140,- en de in beslag genomen blauwe Nokia.
Ten aanzien van de twee andere in beslag genomen telefoons (een Huawei en een witte Nokia) zal de bewaring worden gelast ten behoeve van de rechthebbende, nu thans geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt.

6..Bijlage

De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

7..Beslissing

De rechtbank:
verklaart niet bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- gelast de teruggave aan verdachte van:
* € 1.140,-;
* 1 STK GSM zaktelefoon (Nokia, blauw);
- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:
* 1 STK GSM zaktelefoon (Huawei);
* 1 STK GSM zaktelefoon (Nokia, wit).
Dit vonnis is gewezen door:
mr. C. Laukens, voorzitter,
en mrs. F.A. Hut en I. Tillema, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.C. Wennekes, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
Bijlage I
Tekst gewijzigde tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1.
hij op of omstreeks 16 april 2019 en/of 17 april 2019 te Bergschenhoek,
gemeente Lansingerland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk
aanwezig heeft gehad
ongeveer 6253 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal
bevattende MDMA, zijnde MDMA
een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,
dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij op of omstreeks 16 april 2019 en/of 17 april 2019 te Bergschenhoek,
gemeente Lansingerland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk
aanwezig heeft/hebben gehad
ongeveer 600 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram
hennep, en/of
ongeveer 400 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van
een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen
van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj),
zijnde hennep en/of hasjiesj (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II,
dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3.
hij in of omstreeks de periode van 1 december 2018 tot en met 17 april 2019
te Bergschenhoek, gemeente Lansingerland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de
Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken,
verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van
Nederland brengen van MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel vermeld op de bij de
Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen
onder andere een hoeveelheid MDMA (in totaal 6,253 kilo) en/of 80 kilo
cellulose en/of 8 kilo magnesium en/of klimaatcontrole units en/of
actiefkoolfilters en/of
afzuigunits en/of een compressor en/of emmers en/of bakken en/of vacuümzakken
en/of folie en/of handschoenen en/of een vermaler en/of zeven en/of lepels
en/of stempels en/of matrijzen en/of kleurstoffen en/of een vacuüm
sealappara(a)t(en) en/of een tabletteermachine,
voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s)
wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd
was/waren tot het plegen van dat/die feit(en).