Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2022:4462

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 mei 2022
Publicatiedatum
8 juni 2022
Zaaknummer
FT EA 22/286 en FT EA 22/287 en FT EA 22/288 en FT EA 22/289
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot dwangakkoord bij weigering schuldeiser in schuldregeling

Verzoekers dienden een verzoek in tot toepassing van artikel 287a Faillissementswet om een dwangakkoord af te dwingen tegen een schuldeiser die niet instemde met een aangeboden schuldregeling. De regeling voorzag in een uitkering van 25,33% aan preferente en 12,66% aan concurrente schuldeisers, gebaseerd op de NVVK-norm en de afloscapaciteit van verzoekers. Verzoeker is 80-100% arbeidsongeschikt en ontvangt een IVA-uitkering, verzoekster werkt parttime met een vast contract en zorgt voor een ziek kind.

Vijf van de zes schuldeisers stemden in met het akkoord, maar één schuldeiser met een vordering van 44,3% van de totale schuldenlast weigerde. Deze schuldeiser stelde dat de regeling onvoldoende financieel transparant was en dat verzoekster meer zou kunnen werken. De rechtbank oordeelde dat de regeling goed gedocumenteerd en getoetst was door een onafhankelijke partij en dat verzoekers het maximale haalbare bod hadden gedaan.

De rechtbank vond dat het belang van verzoekers en de instemmende schuldeisers zwaarder woog dan dat van de weigeraar. De dwangakkoord werd toegewezen, de schuldeiser veroordeeld in de proceskosten en het subsidiaire verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling werd afgewezen vanwege de tienjaarsperiode na eerdere regeling. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en vervangt de vrijwillige instemming.

Uitkomst: Verzoek tot dwangakkoord wordt toegewezen en schuldeiser wordt bevolen in te stemmen met de schuldregeling.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
rekestnummers: [nummer 1] en [nummer 2]
[nummer 3] en [nummer 4]
uitspraakdatum: 17 mei 2022 (bij vervroeging)
in de zaak van:
[verzoeker 1]
en
[verzoeker 2],
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoekers.

1..De procedure

Verzoekers hebben op 25 maart 2022, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om één schuldeiser, te weten:
- [naam schuldeiser] (hierna: [naam schuldeiser] )
die weigert mee te werken aan een door verzoekers aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
De [naam schuldeiser] heeft voorafgaand aan de zitting een verweerschrift toegezonden. De [naam schuldeiser] heeft in haar verweerschrift gemeld dat zij schriftelijk verweer zal voeren en niet ter zitting zal verschijnen.
Verzoekers hebben op 9 mei 2022 aanvullende stukken aan de rechtbank doen toekomen.
Ter zitting van 11 mei 2022 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekers;
  • mevrouw [persoon A] , werkzaam bij Gemeente Nissewaard (hierna: schuldhulpverlening).
De uitspraak is bij vervroeging bepaald op heden.

2..Het verzoek

Verzoekers hebben volgens het ingediende verzoekschrift zes schuldeisers, met één preferente vordering en zeven concurrente vorderingen. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 95.675,49 van verzoekers te vorderen. Verzoekers hebben bij brief van
22 juli 2021 een schuldregeling aangeboden aan hun schuldeisers, inhoudende een betaling van 25,33% aan de preferente schuldeisers en 12,66% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond.
De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoeker is gebaseerd is ongewijzigde voortzetting van zijn IVA-uitkering. Verzoeker is voor
80-100% arbeidsongeschikt verklaard. De afloscapaciteit van verzoekster is gebaseerd op de afloscapaciteit die verzoekster heeft op basis van haar dienstbetrekking. Verzoekster werkt parttime (24 uur per week) en heeft een arbeidscontract voor onbepaalde tijd. Verzoekster probeert waar mogelijk overuren te maken.
De aangeboden regeling voorziet in uitkering van een prognosepercentage. Dat betekent dat de afloscapaciteit eventueel nog hoger of nog lager zal kunnen uitvallen. Verzoekers hebben zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke hebben gedaan om het aangeboden percentage aan hun schuldeisers aan te bieden. Verzoekers hebben sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en hun vaste lasten worden inmiddels door hun budgetbeheerder voldaan.
Vijf schuldeisers met één preferente vordering en zes concurrente vorderingen stemmen met de aangeboden schuldregeling in. [naam schuldeiser] stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 42.413,08 op verzoekers, welke 44,3% van de totale schuldenlast beloopt.

3..Het verweer

In haar verweerschrift heeft [naam schuldeiser] zich op het standpunt gesteld dat de aangeboden regeling niet goed is gedocumenteerd en dat deze onvoldoende financieel transparant is. In de visie van [naam schuldeiser] hebben verzoekers voorts niet het maximaal haalbare aangeboden. De [naam schuldeiser] voert daartoe aan dat de aangeboden regeling onder meer is gebaseerd op verzoeksters verdiensten op basis van een parttime dienstverband, terwijl niet is gesteld of gebleken dat verzoekster niet fulltime zou kunnen werken. [naam schuldeiser] wijst er daarbij op dat in de schuldsaneringsregeling wettelijke waarborgen bestaan om te verzekeren dat verzoekster voldoet aan haar verplichting zich in te spannen voor een fulltime dienstverband.

4..De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van de [naam schuldeiser] bij haar weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of de [naam schuldeiser] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekers of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van de [naam schuldeiser] een aandeel vormt in de totale schuldenlast van 44,3%.
Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk vijf van de zes schuldeisers (voor zeven van de acht vorderingen), is met de aangeboden regeling akkoord gegaan.
De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten de Gemeente Nissewaard. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd.
De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoekers in staat moeten worden geacht. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoeker niet beschikt over betaald werk. Verzoeker is voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt verklaard en hij ontvangt een IVA-uitkering. Voldoende aannemelijk is geworden dat hij in de komende jaren geen inkomen zal kunnen verwerven dat hoger is dan zijn huidige inkomen. Voorts is uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting gebleken dat verzoekster beschikt over een parttime baan, op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Verzoekster probeert waar mogelijk overuren te maken. Verzoekster draagt daarnaast de zorg voor haar zoon, die momenteel in het ziekenhuis verblijft. Indien verzoekster in de toekomst meer uren gaat werken en meer inkomen gaat genereren, dan zal de afloscapaciteit toenemen daar verzoekers een prognose akkoord hebben aangeboden.
Door schuldhulpverlening is ter zitting verklaard dat aan alle waarborgen, die ervoor moeten zorgen dat verzoekers het maximale ten behoeve van hun schuldeisers zullen afdragen, is voldaan. Verzoekers zitten in budgetbeheer. Het ontstaan van nieuwe schulden ligt niet in de rede.
Indien geen – gedwongen – schuldregeling tot stand komt, dan zal ook het (subsidiaire) verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen worden. Immers, verzoekers hebben eerder in de wettelijke schuldsaneringsregeling gezeten en kunnen tot 21 oktober 2025 niet worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling in verband met de geldende 10-jaarstermijn. Indien zij voordien, vanwege schuldenproblematiek failliet worden verklaard, dan zal er voor de schuldeisers, alleen al gelet op de kosten van een faillissement, veel minder te verdelen zijn.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoekers die vanuit een stabiele situatie hun schuldenproblematiek wil oplossen en van de overige schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van de [naam schuldeiser] , die geweigerd heeft in te stemmen.
Het verzoek om de [naam schuldeiser] te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.
De [naam schuldeiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoekers niet zijn bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.
De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoekers zullen kunnen voortgaan met het betalen van hun schulden en dat zij niet verkeren in de toestand dat zij hebben opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.

5..De beslissing

De rechtbank:
- beveelt de [naam schuldeiser] om in te stemmen met de door verzoekers aangeboden schuldregeling;
- veroordeelt de [naam schuldeiser] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoekers begroot op nihil;
- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;
- wijst de verzoeken tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Tideman, rechter, en in aanwezigheid van
mr. N.A. Masrom, griffier, in het openbaar bij vervroeging uitgesproken op 17 mei 2022. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.