De burgemeester van Rotterdam besloot tot sluiting van een horeca-inrichting voor drie maanden en intrekking van de exploitatievergunning na vondst van heroïne, hasj en geld in het pand. De horeca-inrichting was gesloten vanwege coronamaatregelen en verbouwing. De exploitant ontkende kennis van de drugs en stelde dat derden de goederen hadden achtergelaten.
De rechtbank oordeelde dat de sluiting op grond van de APV redelijk was vanwege de negatieve impact op de openbare orde en het veiligheidsrisicogebied. De intrekking van de vergunning werd echter onvoldoende gemotiveerd. De burgemeester had niet duidelijk gemaakt waarom na één incident het vertrouwen in de exploitant was verloren, terwijl de exploitant twaalf jaar zonder incidenten had geëxploiteerd en maatregelen had genomen om herhaling te voorkomen.
Ook was onvoldoende rekening gehouden met het evenredigheidsbeginsel en de persoonlijke belangen van de exploitant, die door de coronacrisis al zwaar getroffen was. De rechtbank vernietigde het besluit en beval een nieuwe beslissing op bezwaar. Tevens werd de burgemeester veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.