De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een ondertoezichtstelling van een minderjarig kind voor zes maanden vanwege zorgen over de opvoedsituatie en de invloed van de broer die vaak met politie en justitie in aanraking komt. De moeder, die het ouderlijk gezag uitoefent, is liefdevol maar overbelast en staat niet open voor hulpverlening.
Tijdens de mondelinge behandeling, waarbij ook vertegenwoordigers van de gecertificeerde instelling aanwezig waren, gaf de moeder verweer tegen het verzoek. Zij stelde dat er geen ernstige zorgen over het kind zijn en dat het op school goed gaat. De Raad erkende dat een ondertoezichtstelling nuttig kan zijn maar benadrukte dat samenwerking met de moeder noodzakelijk is.
De kinderrechter concludeerde dat hoewel er zorgen zijn over het kind, deze niet dusdanig ernstig zijn dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is. De situatie is verbeterd sinds de broer niet meer thuis woont en het kind presteert beter op school. De rechter benadrukte het belang van aandacht voor het welzijn van het kind en het onderhouden van contact met school.
Het verzoek tot ondertoezichtstelling werd daarom afgewezen. De moeder werd aangespoord om alert te blijven en indien nodig hulp van derden in te schakelen. Tegen deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Den Haag.