De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het opzettelijk buiten Nederland brengen van circa 12,7 kilo cocaïne met zijn auto op 18 februari 2022. De officier van justitie eiste 48 maanden gevangenisstraf en onttrekking van de auto aan het verkeer. Tijdens de terechtzitting op 1 juni 2022 werd uitgebreid bewijs besproken, waaronder de locatie van aanhouding en de inhoud van de verborgen ruimte in de auto.
De rechtbank oordeelde dat het primair ten laste gelegde, het opzettelijk buiten Nederland brengen van de cocaïne, niet wettig en overtuigend was bewezen. De route en verklaringen boden onvoldoende concrete aanwijzingen dat de cocaïne daadwerkelijk een buitenlandse bestemming had. Wel werd het subsidiair ten laste gelegde bewezen verklaard: het opzettelijk vervoeren van cocaïne in Nederland. De verdachte had voorwaardelijk opzet, omdat hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat hij harddrugs vervoerde, ondanks zijn bewering dat hij dacht cannabis te vervoeren.
De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de schadelijke effecten van cocaïne, de maatschappelijke gevolgen van de drugshandel en het feit dat verdachte niet eerder was veroordeeld voor soortgelijke feiten. De opgelegde straf is 24 maanden gevangenisstraf, lager dan de eis, met aftrek van voorarrest. De in beslag genomen auto met een professioneel verborgen ruimte werd onttrokken aan het verkeer. De verdachte werd vrijgesproken van het primair ten laste gelegde en veroordeeld voor het subsidiair ten laste gelegde.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam op 15 juni 2022, waarbij de strafrechtelijke en bewijsrechtelijke aspecten zorgvuldig zijn gewogen.