ECLI:NL:RBROT:2022:4773

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 juni 2022
Publicatiedatum
16 juni 2022
Zaaknummer
C/10/615063 / HA ZA 21-244
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:105 BWArt. 3:306 BWArt. 3:299 BW
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot herstel bouwkundige toestand appartement conform splitsingsakte toegewezen

In deze civiele procedure vorderen eisers dat gedaagde wordt verplicht de feitelijke bouwkundige toestand van het appartement aan te passen aan de splitsingsakte en -tekening, zodat alle delen van het appartementsrecht zonder belemmering bereikbaar zijn.

Gedaagde voerde aan dat de voordeur van zijn appartement al twintig jaar de toegang tot het gemeenschappelijk trappenhuis naar de zolder blokkeert en dat de vordering verjaard zou zijn op grond van bevrijdende verjaring. De rechtbank gaf gedaagde de bewijsopdracht om dit te onderbouwen, onder meer door het horen van getuigen.

Gedaagde zag echter af van het horen van getuigen en slaagde daarmee niet in zijn bewijsopdracht. De rechtbank oordeelde dat het beroep op bevrijdende verjaring faalt. De vordering van eisers wordt daarom toegewezen, met een dwangsom voor het geval gedaagde niet binnen drie maanden voldoet. Daarnaast wordt gedaagde veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot herstel van de bouwkundige toestand conform de splitsingsakte binnen drie maanden onder dwangsom.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/615063 / HA ZA 21-244
Vonnis van 1 juni 2022
in de zaak van

1..[eiser 1] ,

wonende te [woonplaats eiser 1] ,
2.[eiser 2],
wonende te [woonplaats eiser 2] ,
eisers,
advocaat mr. J.J. Blok te Rotterdam,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats gedaagde] ,
gedaagde,
advocaat mr. C.C.J.L. Huurman-Ip Vai Ching te Rotterdam.
Partijen zullen hierna [eiser 1] c.s. en [gedaagde] genoemd worden.

1..De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenvonnis van 18 augustus 2021 (hierna: het tussenvonnis) en de daarin genoemde processtukken,
  • de akte overleggen productie 4 aan de zijde van [eiser 1] c.s.,
  • de akte houdende bewijslevering aan de zijde [gedaagde] ,
  • het B-16 formulier van 20 december 2021 aan de rechtbank, waarin [gedaagde] aangeeft dat hij afziet van de mogelijkheid tot het horen van getuigen, met het verzoek aan de rechtbank om de zaak aan te houden wegens overleg over een minnelijke regeling tussen partijen,
  • het B-16 formulier van 23 februari 2022, waarin [eiser 1] c.s. aangeven dat partijen geen minnelijke regeling hebben bereikt, met het verzoek aan de rechtbank om vonnis te wijzen,
  • de akte uitlating productie aan de zijde van [gedaagde] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2..De verdere beoordeling

2.1.
In het tussenvonnis is overwogen dat [gedaagde] in de gelegenheid zal worden gesteld om (door middel van het horen van getuigen) te bewijzen dat de voordeur van appartement 425 A II al 20 jaar lang de vrije toegang tot het gemeenschappelijk trappenhuis naar de zolder blokkeert.
2.2.
Bij akte houdende bewijslevering heeft [gedaagde] aangegeven dat hij de heer [persoon A] als getuige wil laten horen. De rechtbank heeft het getuigenverhoor gepland op 21 december 2021. Op 20 december 2021 heeft [gedaagde] echter middels B-16 formulier aan de rechtbank laten weten dat hij afziet van het horen van getuigen.
2.3.
De rechtbank heeft [gedaagde] hierna nog in de gelegenheid gesteld om te reageren op de door [eiser 1] c.s. bij akte als productie 4 overgelegde leveringsakte. [gedaagde] heeft in zijn nadere akte – kort samengevat – aangevoerd dat uit de overgelegde leveringsakte blijkt dat [eiser 1] c.s. de appartementen (
de rechtbank begrijpt: de appartementen 425 A I en 425 B) met een mondelinge koopovereenkomst hebben gekocht en dat dit meebrengt dat het aan [eiser 1] c.s. is om aan te tonen dat zij deze appartementen in een andere staat hebben gekocht dan waarin deze zich thans bevinden. Daarnaast stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat indien [eiser 1] c.s. na het sluiten van de koopovereenkomst er achter zou zijn gekomen dat de indeling van de appartementen anders is dan deze op basis van de splitsingsakte- en tekening zou moeten zijn, dit voor rekening en risico van [eiser 1] c.s. dient te komen, omdat [eiser 1] c.s. in dat geval niet voldaan hebben aan hun onderzoeksplicht. Dit klemt volgens [gedaagde] te meer, nu de huidige indeling van de appartementen naar objectieve maatstaven geschikt is voor normaal gebruik. De vorderingen van [eiser 1] c.s. zouden dan ook, volgens [gedaagde] , moeten worden afgewezen.
2.4.
De rechtbank overweegt het volgende. Uit de leveringsakte volgt dat [eiser 1] c.s. appartement 425 A I heeft gekocht als “het appartementsrecht, rechtgevende op het uitsluitend gebruik van de woning op de eerste verdieping en een gedeelte van de zolderverdieping met toebehoren etc”. Door de levering van dit appartementsrecht aan hen zijn [eiser 1] c.s. in beginsel eigenaar van dat appartementsrecht geworden, met inbegrip dus van het bedoelde gedeelte van de zolderverdieping. Daaraan doet niet af dat de zolderverdieping ten tijde van de koop door [eiser 1] c.s. mogelijk niet bereikbaar was, omdat de voordeur van [gedaagde] de toegang daartoe blokkeerde. In deze procedure heeft [gedaagde] zich erop beroepen dat de rechtsvordering van [eiser 1] c.s. tot beëindiging van het bezit door [gedaagde] van de zolderverdieping voor zover het onderdeel vormt van het appartementsrecht van [eiser 1] c.s. verjaard is en hij daarom als eigenaar van het appartementsrecht van dat gedeelte van de zolderverdieping moet worden beschouwd. De bewijslast voor hier door [gedaagde] bedoelde bevrijdende verjaring van artikel 3:105 BW Pro in verbinding met artikel 3:306 BW Pro rust op de partij die een beroep op dat bevrijdende verweer doet, dus op [gedaagde] . Aan [gedaagde] is dan ook (in het tussenvonnis) een bewijsopdracht gegeven.
2.5.
Nu [gedaagde] geen getuigen heeft voorgebracht, is hij niet geslaagd in het aan hem opgedragen bewijs en faalt het beroep op bevrijdende verjaring ex artikel 3:105 BW Pro juncto artikel 3:306 BW Pro. De rechtbank zal derhalve vordering I toewijzen op de wijze als nader in het dictum bepaald.
2.6.
De rechtbank ziet aanleiding de gevorderde dwangsom te matigen en te maximeren zoals nader in het dictum bepaald, waarbij in aanmerking wordt genomen dat artikel 3:299 BW Pro de mogelijkheid biedt om zo nodig machtiging te vorderen de prestatie uit te voeren waartoe [gedaagde] thans veroordeeld wordt.
2.7.
[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser 1] c.s. worden begroot op:
- dagvaarding € 106,01
- griffierecht € 309,00
- salaris advocaat €
1.126,00(2 punten × tarief € 563,00)
Totaal € 1.541,01

3..De beslissing

De rechtbank
3.1.
beveelt [gedaagde] om de feitelijke bouwkundige toestand van de woning aan de [straatnaam] 425A II in overeenstemming te brengen met de splitsingsakte- en tekening, zodanig dat alle afzonderlijke delen van het appartementsrecht aan de [straatnaam] 425 A I zonder belemmering bereikbaar zijn en alle delen van de appartementsrechten deugdelijk en volledig zijn afgeschermd van andere gemeenschappelijke of privé gedeelten, binnen drie maanden na betekening van dit vonnis, op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 10.000,00.
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser 1] c.s. tot op heden begroot op € 1.541,01,
3.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.E. Molenaar. Het is ondertekend door de rolrechter en op 1 juni 2022 uitgesproken in het openbaar.
3360/3152