ECLI:NL:RBROT:2022:4814

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 juni 2022
Publicatiedatum
16 juni 2022
Zaaknummer
ROT 22/2485
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbParticipatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening intrekking bijstandsuitkering wegens vermogen

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam om haar bijstandsuitkering in te trekken wegens overschrijding van de vermogensgrens. Zij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om de intrekking te schorsen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen sprake is van een spoedeisend belang. Uit bankafschriften en een bestuursrechtelijk onderzoek blijkt dat verzoekster over voldoende vermogen beschikt om in haar levensonderhoud te voorzien en een betalingsregeling is getroffen waarbij maandelijks €700 wordt afgelost. Hierdoor is het niet aannemelijk dat zij niet kan wachten op de beslissing op bezwaar.

Daarnaast is het niet gebleken dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Verzoekster was op de hoogte van de noodzaak om bewijsstukken over haar vermogen te overleggen en heeft niet alle relevante bankrekeningen opgegeven. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen en er worden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de bijstandsuitkering wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang en het ontbreken van evident onrechtmatigheid.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 22/2485
uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 juni 2022 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. J. van der Ende),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Hielkema).

Procesverloop

Bij besluit van 12 mei 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder verzoeksters bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw) met ingang van 18 januari 2021 ingetrokken.
Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Ook heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 juni 2022 op zitting behandeld. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of in een eventuele beroepsprocedure.
Inleiding
2. Bij besluit van 18 januari 2022 heeft verweerder aan verzoekster een bijstandsuitkering voor een alleenstaande op grond van de Pw toegekend. Bij het bestreden besluit heeft verweerder deze bijstandsuitkering ingetrokken, omdat het vermogen van verzoekster volgens verweerder hoger is dan de van toepassing zijnde vermogensgrens. Hiermee is verzoekster het niet eens.
Spoedeisend belang
3.1.
Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift.
3.2.
De voorzieningenrechter vindt dat het spoedeisend belang onvoldoende aannemelijk is. Uit de overgelegde bankafschriften en de rapportage bestuursrechtelijk onderzoek van
10 mei 2022 blijkt dat verzoekster over vermogen beschikt, dat zij voor haar levensonderhoud zou kunnen gebruiken. Op 31 maart 2022 beschikte verzoekster in ieder geval nog over een vermogen van ruim € 15.000,-. Verder heeft verweerder ter zitting te kennen gegeven dat er inmiddels een betalingsregeling is getroffen en dat er maandelijks
€ 700,- wordt afgelost. Gelet op deze omstandigheden kunnen er vraagtekens worden gezet bij het gestelde spoedeisende karakter van de gevraagde voorziening.
Voor zover de mogelijkheid aan de orde is gesteld dat verzoekster het bedrag dat zij aan vermogen heeft kan gebruiken om af te lossen op de terugvordering die is ontstaan, zodat haar vermogen weer onder de vermogensgrens uitkomt, overweegt de voorzieningenrechter dat dit aspect van belang is in het kader van een nieuwe aanvraag voor een bijstandsuitkering op grond van de Pw. Verweerder heeft verzoekster geadviseerd een nieuwe aanvraag voor een bijstandsuitkering in te dienen. Het ligt op de weg van verzoekster om een nieuwe aanvraag in te dienen.
Is er sprake van een evidente onrechtmatigheid?
4. Nu geen sprake is van spoedeisend belang, kan het verzoek alleen worden toegewezen als het bestreden besluit volgens de voorzieningenrechter evident onrechtmatig is. Hiervan is in dit geval niet gebleken. Voor zover verzoekster heeft gesteld dat zij er niet van op de hoogte was dat zij alle bewijsstukken met betrekking tot haar vermogen moest indienen omdat uitsluitend om bewijsstukken met betrekking tot de beëindiging van haar Ziektewetuitkering was verzocht, volgt de voorzieningenrechter dit niet. Het is niet aannemelijk dat in het kader van de aanvraag voor een bijstandsuitkering niet om stukken over de vermogenspositie van verzoekster zou zijn verzocht. Het gaat hier immers om een aspect dat standaard aan bod komt bij een aanvraagprocedure. Verweerder heeft ter zitting gewezen op gedingstuk B 264 waaruit blijkt dat verzoekster bij haar aanvraag maar één bankrekeningnummer heeft opgegeven, terwijl zij meerdere bankrekeningen had.
Conclusie
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
P. Deinum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2022.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.