De werknemer trad in september 2014 in dienst als leerlingenbegeleider bij de werkgever en werkte sinds eind 2016 op de RDM-campus. Door de coronacrisis en de daaropvolgende maatregelen werd het fysieke onderwijs grotendeels vervangen door hybride onderwijs, waardoor de functie van de werknemer op de RDM-campus feitelijk kwam te vervallen.
De werkgever vroeg en kreeg toestemming van het UWV om de arbeidsovereenkomst op te zeggen wegens bedrijfseconomische redenen, met als grond het vervallen van de arbeidsplaats. De werknemer stelde dat het ontslag onterecht was, dat de functie niet was vervallen en dat herplaatsing mogelijk was, en verzocht om herstel van de arbeidsovereenkomst of subsidiair een billijke vergoeding.
De kantonrechter oordeelde dat de werkgever voldoende aannemelijk had gemaakt dat de functie van de werknemer uniek was en dat deze vanwege structurele werkvermindering was komen te vervallen. Ook was herplaatsing binnen een redelijke termijn niet mogelijk, mede omdat de werknemer niet beschikte over de vereiste HBO-opleiding voor andere functies. Er was geen sprake van misbruik van bevoegdheid door de werkgever.
Daarom werd het ontslag gegrond bevonden en werden alle verzoeken van de werknemer afgewezen. De werknemer werd veroordeeld in de proceskosten, vastgesteld op € 747,-, welke uitvoerbaar bij voorraad zijn verklaard.