Op 18 augustus 2021 deed de aangever aangifte van een poging tot afpersing waarbij berichten met dreiging en een bitcoinadres werden verstuurd. Verdachte werd aangehouden in een voertuig waarin een telefoon met het gebruikte nummer werd gevonden. Verdachte gaf toe de gebruiker te zijn van het account waarmee het bitcoinadres werd verstuurd.
De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van 8 maanden en een contact- en locatieverbod. De rechtbank oordeelde echter dat niet wettig en overtuigend kon worden bewezen dat verdachte wist of kon weten van de poging tot afpersing door de medeverdachte, noch dat hij een wezenlijke bijdrage had geleverd.
Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van zowel medeplegen als medeplichtigheid. De vorderingen van de benadeelde partijen tot schadevergoeding werden niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank bepaalde tevens dat het bevel tot voorlopige hechtenis werd opgeheven.