ECLI:NL:RBROT:2022:5127

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 juni 2022
Publicatiedatum
27 juni 2022
Zaaknummer
ROT 22/319
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1.5 Huisvestingsverordening gemeente Dordrecht 2019Art. 2.1.9 lid 5 sub b Huisvestingsverordening gemeente Dordrecht 2019Art. 5.3 Huisvestingsverordening gemeente Dordrecht 2019
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen weigering urgentieverklaring woningzoekende

Eiser heeft voor de tweede keer een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring om voorrang te krijgen bij woningtoewijzing. De eerste aanvraag werd afgewezen omdat eiser niet voldeed aan de voorwaarden, met name het ontbreken van een onvoorziene en niet verwijtbare inkomensdaling die dakloosheid dreigde te veroorzaken. De rechtbank constateert dat de situatie van eiser bij de tweede aanvraag niet wezenlijk is veranderd ten opzichte van de eerste aanvraag.

Eiser voerde aan dat zijn situatie wel was gewijzigd door een PGB-fraude waarvan hij geen weet had, maar waarvoor hij aansprakelijk werd gehouden. Dit was echter al bekend bij de eerste aanvraag en vormt geen nieuw feit. Ook de door eiser ingeroepen hardheidsclausule werd door de rechtbank niet toegepast, omdat de situatie van eiser onvoldoende onderscheidend is ten opzichte van andere woningzoekenden in moeilijke omstandigheden en het beleid terughoudend is vanwege de schaarste aan betaalbare huurwoningen.

De rechtbank concludeert dat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat hij recht heeft op een urgentieverklaring en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de tweede urgentieverklaring wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zittingsplaats Dordrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 22/319

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juni 2022 in de zaak tussen

[naam eiser], te [woonplaats eiser], eiser,

gemachtigde: mr. B.J. Manspeaker,
en

het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht, verweerder,

gemachtigde
:mr. M. Baardman

Procesverloop

Met het besluit van 13 september 2021 heeft verweerder de aanvraag van eiser om een voorrangsverklaring (urgentieverklaring) woningzoekende afgewezen.
Met het besluit van 6 januari 2022 heeft verweerder het bezwaar van eiser hiertegen ongegrond verklaard.
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 4 mei 2022 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Op 14 april 2021 heeft eiser een aanvraag voor een urgentieverklaring (voorrangsverklaring) ingediend op grond van een sociale indicatie. Met het besluit van 4 juni 2021 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Eiser is tegen dit besluit niet in beroep gegaan. Op 18 juni 2021 heeft eiser opnieuw een urgentieverklaring aangevraagd. Over de afwijzing van die aanvraag gaat dit beroep.
2. Verweerder wijst als reden voor zijn besluit onder meer op artikel 2.1.5. aanhef en sub e. van de Huisvestingsverordening gemeente Dordrecht 2019 (verordening). Eiser heeft binnen 3 jaar voorafgaand aan de aanvraag om dezelfde reden al een aanvraag ingediend. De omstandigheden die verweerder bij het beoordelen van de nieuwe aanvraag moest betrekken waren niet echt veranderd toen hij, net twee maanden later, opnieuw een aanvraag indiende.
3. Eiser voert aan dat zijn situatie wel wezenlijk is veranderd. De rechtbank vindt echter dat hij dat niet voldoende heeft aangetoond.
3.1.
In het besluit van 4 juni 2021 heeft verweerder de (eerste) aanvraag afgewezen omdat eiser niet voldeed aan de voorwaarden voor een sociale indicatie, meer specifiek de voorwaarde van artikel 2.1.9. lid 5 onder b van de verordening, namelijk – kort gezegd – dat geen sprake was van een onvoorziene niet verwijtbare inkomensdaling waardoor hij dakloos dreigde te worden. Eiser heeft in de nieuwe aanvraag niet aangetoond dat er wel sprake is geweest van een inkomensdaling, waardoor hij dakloos dreigt te worden. Voor zover hij die inkomensdaling zou hebben aangetoond heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat deze onvoorzien en niet verwijtbaar is geweest. Als argument bij de voorzienbaarheid en verwijtbaarheid heeft eiser aangevoerd dat zijn problemen voornamelijk zijn ontstaan door een PGB-fraude, waarvan hij geen weet had, maar waarvoor hij wel aansprakelijk wordt gehouden. Dat standpunt was echter al bij verweerder bekend toen op de eerste aanvraag werd beslist. Bij de tweede aanvraag is op dat punt niets naar voren gebracht dat nieuw is en/of niet al ingebracht had kunnen worden bij de eerste aanvraag.
4. Eiser heeft ook aangevoerd dat verweerder ten onrechte de hardheidsclausule in artikel 5.3. van de verordening niet heeft toegepast. Volgens die bepaling kan verweerder in gevallen waarin de verordening niet voorziet naar eigen redelijk oordeel beslissen in gevallen waarin toepassing van de verordening leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Ook op dit punt volgt de rechtbank het standpunt van verweerder.
4.1.
Eiser heeft in dit verband naar voren gebracht dat een woning nodig is om de zorg voor zijn dochter op zich te kunnen nemen. In brieven van een medewerker van het Sociaal Wijkteam Dordrecht van 5 november 2021 van een jeugdzorgwerker van de William Schrikker Stichting van 2 februari 2022 en het plan van aanpak van Team Perfect Care van 23 februari 2022 is benadrukt dat een woonruimte voor eiser van belang is om zijn dochter te kunnen ontvangen, het contact te intensiveren en het welzijn te bevorderen.
4.2.
Bij de toepassing van de hardheidsclausule voert verweerder een zeer terughoudend beleid, omdat er weinig betaalbare huurwoningen zijn tegenover een grote vraag. Als het artikel te ruim wordt toegepast verliest het zijn betekenis. De situatie van eiser onderscheidt zich te weinig van veel woningzoekenden, die in vergelijkbare moeilijke omstandigheden verkeren. Verder heeft hij in zijn eerste aanvraag ook al naar voren gebracht dat hij zelfstandige woonruimte nodig heeft om de zorg voor zijn dochter te kunnen overnemen. Zijn dochter verbleef, voor zover de rechtbank dat heeft kunnen vaststellen, ten tijde van beide aanvragen bij haar grootmoeder en daar kon eiser haar wekelijks enkele keren bezoeken. Of hij met een eigen woning de zorg voor haar zou kunnen overnemen is de vraag. In het dossier bevindt zich een beschikking van de kinderrechter tot verlenging van ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing tot 20 juni 2021. Er is bij eiser al bij de voorbereiding van het besluit op zijn eerste aanvraag op aangedrongen bij jeugdzorg een verklaring te vragen, waaruit van afspraken blijkt die zijn gemaakt met betrekking tot de zorg voor zijn dochter. Tot nu toe is die verklaring er niet, kennelijk omdat jeugdzorg deze weigerde.
5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Hameete, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Cras, griffier. De uitspraak is gedaan in het openbaar op 15 juni 2022.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak mede te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.