Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
1..De procedure
2..De verdere beoordeling
subtotalen
€ 53.253,63€ 93.674,28
eindtotalen
Rechtbank Rotterdam
In deze civiele zaak tussen Woningborg N.V. en BBG Vastgoed B.V. staat de kwalificatie van een herstelovereenkomst centraal, evenals de vergoeding van herstel- en afbouwkosten. De rechtbank bevestigt dat de herstelovereenkomst niet voldoet aan de vereisten van een aannemingsovereenkomst zoals bedoeld in artikel 7:750 BW Pro, omdat geen aanneemsom is overeengekomen. Hierdoor kon Woningborg de overeenkomst niet opzeggen, en is er geen sprake van ontbinding. De herstelkosten komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking.
De rechtbank beoordeelt vervolgens de vordering tot vergoeding van afbouwkosten. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen meerwerkposten die binnen de oorspronkelijke overeenkomst vallen en die daarbuiten liggen. Diverse posten worden toegewezen aan BBG Vastgoed, waaronder kosten voor het herstellen van de warmtepompinstallaties, afvalcontainers, luchtdicht bouwen en levering van materialen. Andere posten, zoals kosten voor extra toiletunits en ondoorzichtige beglazing, worden afgewezen.
De rechtbank wijst de vorderingen tot verklaring voor recht dat de herstelovereenkomst onrechtmatig is ontbonden en tot schadevergoeding af. Ook vorderingen tot opheffing van beslagen worden afgewezen. De proceskosten worden tussen partijen gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. BBG Vastgoed wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van €54.561,17 aan Woningborg, vermeerderd met wettelijke rente.
Uitkomst: BBG Vastgoed wordt veroordeeld tot betaling van €54.561,17 aan Woningborg, vermeerderd met wettelijke rente, terwijl herstelkosten niet worden vergoed en de herstelovereenkomst geen aannemingsovereenkomst is.