ECLI:NL:RBROT:2022:5185

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 juni 2022
Publicatiedatum
27 juni 2022
Zaaknummer
ROT 21/6194
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek herziening boete wegens niet tijdig inburgeren

Eiseres heeft een boete van €250 opgelegd gekregen wegens het niet tijdig voldoen aan de inburgeringsplicht. Zij verzocht om herziening van dit besluit met het argument dat de termijn om in te burgeren was verlengd tot 10 augustus 2021 en zij vóór die datum was ingeburgerd, waardoor de boete onterecht zou zijn.

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wees het verzoek af, stellende dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren zoals bedoeld in artikel 4:6 Awb Pro. Eiseres stelde dat het besluit evident onredelijk was en beriep zich op het evenredigheidsbeginsel.

De rechtbank oordeelde dat eiseres dit betoog eerder had moeten aanvoeren en dat het beroep feitelijk neerkomt op een discussie over de juistheid van het oorspronkelijke besluit, waarvoor in deze procedure geen plaats is. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om herziening van de boete wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 21/6194

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2022 in de zaak tussen

[naam eiseres], uit [woonplaats eiseres], eiseres

(gemachtigde: mr. K.M. van der Boor),
en

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (verweerder)

(gemachtigde: mr. P.N.S. Slagter).

Procesverloop

Bij besluit van 4 juni 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek om herziening van het besluit van 8 april 2020 waarbij verweerder aan eiseres een boete van
€ 250,- heeft opgelegd wegens het niet op tijd voldoen aan de inburgeringsplicht afgewezen.
Bij besluit van 4 november 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiseres heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2022. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding
1. Eiseres heeft op 27 mei 2021 een verzoek om herziening van het besluit van 8 april 2020 ingediend. In dit besluit heeft verweerder een boete van € 250,- aan eiseres opgelegd, omdat zij volgens de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) niet tijdig heeft voldaan aan de inburgeringsplicht. Dit betekent volgens verweerder dat zij de lening, die zij bij DUO heeft afgesloten om te kunnen inburgeren, moet terugbetalen als zij klaar is met haar inburgeringstraject.
Standpunten van partijen
2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en heeft het verzoek om herziening daarom afgewezen.
3. Eiseres betoogt dat er wel sprake is van een feit of omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb . Eiseres voert hiertoe aan dat verweerder bij het besluit van 8 april 2020 niet heeft onderkend dat de termijn om te kunnen inburgeren was doorgeschoven naar 10 augustus 2021. Eiseres is op 3 mei 2021 - dus vóór 10 augustus 2021 - ingeburgerd, dus in dit geval dient de lening te worden kwijtgescholden.
Daarnaast is het bestreden besluit evident onrechtmatig omdat eiseres de termijn om tijdig in te burgeren niet heeft overschreden. Verder heeft eiseres in de aanvullende gronden van 9 juni 2022 nog een beroep gedaan op het evenredigheidsbeginsel. Volgens eiseres is niet gebleken dat enig doel wordt gediend met het besluit dat zij de lening moet terugbetalen.
Gelet op het voorgaande was er voldoende reden voor verweerder om aan het verzoek tot herziening tegemoet te komen.
De beoordeling door de rechter
4.1.
In de brief van 27 mei 2021 van eiseres staat bovenaan “bezwaarschrift dan wel verzoek tot herziening”. Verweerder heeft deze brief aangemerkt als een bezwaarschrift tegen het besluit van 8 april 2020 en een verzoek als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb om terug te komen van dat besluit. In deze procedure ligt uitsluitend het verzoek voor. Uitgangspunt is dat verweerder in het algemeen bevoegd is om een dergelijk verzoek inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bestuursorgaan kan er echter ook voor kiezen om, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, het verzoek om herziening af te wijzen, onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Als de bestuursrechter tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat de afwijzing van de aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is.
4.2.
Het betoog van eiseres dat zij - mede op basis van verweerders brief van
19 december 2019 - erop had mogen vertrouwen dat zij de lening niet hoefde terug te betalen als zij vóór of op 10 augustus 2021 zou zijn ingeburgerd en dat verweerder zich in het besluit van 8 april 2020 dus ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de lening niet wordt kwijtgescholden had eiseres eerder naar voren kunnen en dus moeten brengen, namelijk in de procedure gericht tegen het besluit van 8 april 2020. Dat eiseres tegen dit besluit te laat bezwaar heeft gemaakt, komt voor haar eigen rekening en risico. Er is dus geen sprake van een feit of omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb.
4.3.
Wat eiseres heeft aangevoerd leidt ook niet tot het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is. Bij de beoordeling door de bestuursrechter of de afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk is, ligt niet de vraag voor of het besluit van 8 april 2020 evident onredelijk of onjuist is. Met wat eiseres heeft aangevoerd, waaronder haar beroep op het evenredigheidsbeginsel, beoogt zij in feite een discussie over de juistheid van het besluit van 8 april 2020 te voeren. Daarvoor is in deze procedure geen plaats, omdat geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. Zelfs als de inhoud van het besluit van 8 april 2020 mogelijk onjuist zou zijn, wil dat nog niet zeggen dat het evident onredelijk is dat verweerder het herzieningsverzoek heeft afgewezen. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 1 september 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:2055).
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.B.J. van Elden, rechter, in aanwezigheid van
P. Deinum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2022.
De rechter is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.