ECLI:NL:RBROT:2022:5191
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de onbevoegdheid van de rechtbank inzake beroep tegen oordeel College voor de Rechten van de Mens
Opposant heeft beroep ingesteld tegen een brief van het College voor de Rechten van de Mens van 29 april 2021. De rechtbank heeft zich eerder onbevoegd verklaard om van dit beroep kennis te nemen, omdat zij niet mag oordelen over beslissingen van het College op basis van de artikelen 10 tot en met 12 van de Wet College voor de Rechten van de Mens (Wcrm).
Tegen deze onbevoegdheidsuitspraak heeft opposant verzet ingesteld. De rechtbank heeft dit verzet behandeld en beoordeeld of het terecht was dat zij zich onbevoegd had verklaard. De rechtbank concludeert dat het oordeel van het College een oordelende taak betreft waarop geen bezwaar of beroep mogelijk is volgens de Awb en de Bevoegdheidsregeling Bestuursrechtspraak.
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond en bevestigt dat zij niet bevoegd is om te oordelen over het beroep tegen het oordeel van het College. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en de rechtbank blijft onbevoegd om te oordelen over het beroep tegen het oordeel van het College.