Verzoekster heeft een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, waarbij 24 van de 25 schuldeisers instemden. Schuldeiser VGZ weigert echter in te stemmen met het akkoord, omdat zij het aangeboden bedrag te laag vindt en twijfelt aan de financiële transparantie en de toekomstbestendigheid van verzoeksters situatie.
De rechtbank beoordeelt dat verzoekster onder beschermingsbewind staat en begeleid wordt door diverse instanties, waardoor het aannemelijk is dat zij geen nieuwe schulden zal maken. Verzoekster is vrijgesteld van sollicitatieplicht tot 31 maart 2023 vanwege haar afstand tot de arbeidsmarkt en gezondheidsklachten.
De rechtbank stelt vast dat het akkoord goed gedocumenteerd is, het uiterste is wat verzoekster kan bieden en dat het akkoord een gunstiger resultaat oplevert voor schuldeisers dan een schuldsaneringsregeling. Daarom weegt het belang van verzoekster en de instemmende schuldeisers zwaarder dan het belang van VGZ.
De rechtbank beveelt VGZ om in te stemmen met het akkoord, veroordeelt VGZ in de proceskosten en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Het subsidiaire verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen omdat verzoekster niet in staat is gestopt met betalen en het akkoord een betere uitkomst biedt.