ECLI:NL:RBROT:2022:5220

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
28 juni 2022
Publicatiedatum
28 juni 2022
Zaaknummer
ROT 22/1350
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55c AwbArt. 8:55d Awbparagraaf 4.1.3.2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op herbeoordeling kinderopvangtoeslag

Eiseres heeft op 8 februari 2021 een verzoek tot herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag ingediend bij verweerder. Verweerder heeft de beslistermijn eenzijdig verlengd, maar heeft uiteindelijk niet binnen de gestelde termijn een beslissing genomen. Eiseres stelde verweerder meerdere malen in gebreke en diende op 16 maart 2022 een beroep in wegens het uitblijven van een beslissing.

De rechtbank oordeelt dat het beroep prematuur was ingediend, omdat nog geen twee weken waren verstreken sinds de ingebrekestelling. Desondanks wordt het beroep inhoudelijk beoordeeld om onnodige procedurele lasten te voorkomen. Vaststaat dat de beslistermijn is overschreden en dat verweerder een dwangsom heeft verbeurd.

De rechtbank stelt de hoogte van de dwangsom vast op €1.442,- en draagt verweerder op binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen. Voor elke dag dat verweerder deze termijn overschrijdt, verbeurt hij een dwangsom van €100,- met een maximum van €15.000,-. Tevens moet verweerder het betaalde griffierecht aan eiseres vergoeden.

De rechtbank benadrukt dat ondanks de grote hoeveelheid herbeoordelingsverzoeken, de standaardtermijn van twee weken niet wordt verlengd. Verweerder had al ruim voor de uitspraak kunnen starten met de procedure. Het beroep wordt daarom gegrond verklaard en de dwangsomregeling wordt toegepast.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder moet binnen twee weken alsnog beslissen en de verbeurde dwangsom betalen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 22/1350

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juni 2022 als bedoeld in

artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen

[naam eiseres], eiseres

en

Belastingdienst/Toeslagen, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft op 8 februari 2021 bij verweerder een verzoek gedaan tot herbeoordeling van zijn recht op kinderopvangtoeslag.
Bij brief van 7 maart 2022 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld.
Op 16 maart 2022 heeft eiseres beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op haar verzoek, waarbij eiseres de rechtbank heeft verzocht de hoogte van de door verweerder verbeurde dwangsom vast te stellen.
Verweerder heeft op 25 maart 2022 een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaak niet nodig is.
2. Eiseres heeft kinderopvangtoeslag ontvangen en zij heeft zich gemeld voor een herbeoordeling van haar recht daarop. Verweerder heeft dit verzoek in behandeling genomen. In de brief van 1 juli 2021 is de termijn van herbeoordeling éénzijdig verlengd met 6 maanden. Hierdoor moest verweerder uiterlijk op 28 januari 2022 een beslissing nemen. Bij brief van 16 december 2021 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat er op basis van de lichte toets geen reden is om eiseres € 30.000,- te betalen, maar dat de herbeoordeling nog niet klaar is. Op 29 december 2021 heeft verweerder per brief aan eiseres laten weten dat er meer tijd nodig is voor de herbeoordeling. Op 14 maart 2022 heeft verweerder de ingebrekestelling van 7 maart 2022 van eiseres, ontvangen.
3. De rechtbank stelt vast dat op 16 maart 2022, het moment dat eiseres het beroep heeft ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing, nog geen twee weken voorbij waren na de ingebrekestelling van 7 maart 2022. Eiseres heeft het beroep te vroeg ingediend. Maar omdat verweerder ook op dit moment nog steeds geen beslissing heeft genomen op het herbeoordelingsverzoek van eiseres, vat de rechtbank het beroep niet tijdig beslissen op als ingediend twee weken nadat verweerder ingebreke is gesteld. Dit is het meest praktisch en voorkomt onnodig extra werk, omdat eiseres anders opnieuw een beroep tegen het uitblijven van een beslissing van verweerder in zou moeten dienen die er nog steeds niet is.
4. Niet in geschil is verder dat de beslistermijn voor het herbeoordelingsverzoek van 8 februari 2021 is overschreden. Verweerder heeft op 14 maart 2002 de ingebrekestelling van 7 maart 2022 ontvangen en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan. Daarbij heeft eiseres vermeld dat indien niet tijdig een beslissing volgt, zij aanspraak maakt op een dwangsom.
5. Verweerder erkent dat de dwangsomregeling als bedoeld in paragraaf 4.1.3.2 van de Awb in deze zaak van toepassing is en een dwangsom is verbeurd, waarbij de rechtbank zich aansluit. Omdat verweerder nog geen dwangsombeschikking heeft afgegeven, zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:55c van de Awb de hoogte van de dwangsom zelf vaststellen.
6. Verweerder heeft tot op heden niet op het verzoek om herbeoordeling beslist. Omdat er sinds de ontvangst van de ingebrekestelling door verweerder en het moment dat de rechtbank deze uitspraak doet meer dan 42 dagen zijn verstreken, stelt de rechtbank vast dat verweerder de maximale dwangsom van € 1.442,- verbeurd heeft.
7. Omdat verweerder nog geen besluit op het verzoek heeft genomen bepaalt de rechtbank verder dat verweerder dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het bestuursorgaan dit in principe doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. Verweerder heeft op grond van het derde lid van artikel 8:55d, van de Awb, gemotiveerd verzocht om een langere termijn, namelijk 10 weken. Verweerder heeft uiteengezet dat de procedure die hij volgt bij de herbeoordelingen, deze tijd vraagt.
8. De rechtbank is van oordeel dat een termijn recht moet doen aan de reële mogelijkheden om op het verzoek te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen.
In algemene zin geldt dat er een zeer groot aantal aanvragen voor herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag bij verweerder zijn binnen gekomen, veel meer dan voorzien was. Deze aanvragen dienen allemaal met een grote zorgvuldigheid te worden beoordeeld. Dit heeft tot gevolg gehad dat het dossier nog niet is herbeoordeeld.
In dit geval ziet de rechtbank desondanks geen aanleiding om op grond van artikel 8:55d, derde lid, van de Awb af te wijken van de standaardtermijn van twee weken. De rechtbank vindt daarbij doorslaggevend dat na het indienen van het verweerschrift op 25 maart 2022 tot aan de datum van deze uitspraak meer dan drie maanden zijn verstreken. De termijn van 10 weken die verweerder heeft gevraagd om alsnog op het verzoek om herbeoordeling te beslissen, is sinds het moment van indienen van het verweerschrift al verstreken. Verweerder was er zich op dat moment (25 maart 2022) van bewust dat hij de beslistermijn ruimschoots had overschreden en had de procedure zoals omschreven in het verweerschrift toen al kunnen starten. Hij heeft daarmee niet hoeven wachten op deze uitspraak.
9. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat verweerder een dwangsom verbeurt als hij de termijn van twee weken overschrijdt. De rechtbank stelt de hoogte van deze dwangsom vast op € 100,- per dag dat de termijn overschreden wordt, met een maximum van € 15.000,-.
10. Het beroep is dus gegrond. Verweerder moet ook het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
11. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- stelt de door verweerder te betalen reeds verbeurde dwangsom vast op € 1.442,-;
- draagt verweerder op binnen twee weken na verzending van het afschrift van deze
uitspraak alsnog een besluit te nemen op het verzoek van eiseres;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag
waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiseres vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. Noordegraaf, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 28 juni 2022.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.