Eiser en zijn ex-echtgenote sloten tijdens hun huwelijk een familiebankconstructie met gedaagden, waarbij leningen werden verstrekt voor de aankoop van een woning en een spaarpot werd opgebouwd als zekerheid voor terugbetaling. Na ontbinding van het huwelijk werd de woning aan de ex-echtgenote toegedeeld, waarbij eiser werd ontslagen van hoofdelijke aansprakelijkheid voor de leningen. Eiser vordert betaling van zijn opgebouwde spaarsaldo plus rente van gedaagden, die dit betwist.
De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft afgezien van zijn aanspraak op het spaarsaldo en dat de spaarpot en leningen als communicerende vaten moeten worden beschouwd. Aangezien eiser niet langer aansprakelijk is voor de leningen, dient het spaarsaldo aan hem te worden uitgekeerd. Het verweer van gedaagden dat betaling afhankelijk is van een finale afrekening met de ex-echtgenote wordt verworpen. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen wegens niet-naleving van wettelijke eisen.
De rechtbank veroordeelt gedaagden hoofdelijk tot betaling van € 88.429,- vermeerderd met 3% rente vanaf 1 januari 2022 en in de proceskosten. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.