ECLI:NL:RBROT:2022:554

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 januari 2022
Publicatiedatum
28 januari 2022
Zaaknummer
C/10/625088 / FA RK 21-6783
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253b BWArt. 1:281 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek moeder tot belast worden met ouderlijk gezag over minderjarige

De moeder van een minderjarige, die destijds minderjarig was en daardoor onbevoegd tot het uitoefenen van ouderlijk gezag, verzoekt de rechtbank om haar met het gezag over haar kind te belasten. De minderjarige is niet erkend en de grootmoeder was op basis van een eerdere beschikking met de voogdij belast.

De rechtbank beoordeelt het verzoek aan de hand van artikel 1:253b BW en stelt vast dat de moeder sinds haar meerderjarigheid in beginsel het gezag van rechtswege zou verkrijgen, maar dat dit op dat moment reeds aan de grootmoeder was toegekend. Omdat er geen gegronde vrees bestaat dat de belangen van het kind bij toewijzing worden verwaarloosd, wordt het verzoek toegewezen.

De voogdij van de grootmoeder eindigt op het moment dat het gezag aan de moeder wordt toegekend. De rechtbank bepaalt dat elke partij de eigen proceskosten draagt. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en er is een mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden.

Uitkomst: De moeder wordt belast met het ouderlijk gezag over haar minderjarige kind.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer : C/10/625088 / FA RK 21-6783
Beschikking van 4 januari 2022 betreffende het ouderlijk gezag
in de zaak van:
[naam vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats vrouw] ,
advocaat mr. M.E. Hoogenraad te Maassluis.
In deze zaak is belanghebbende:
[naam oma], hierna: oma, wonende te [woonplaats oma] .

1..Het verloop van de procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 08 september 2021.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 3 januari 2022. Daarbij zijn verschenen:
- de vrouw, bijgestaan door mr. P. Hoogenraad verschenen namens
mr. M.E. Hoogenraad;
  • oma;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger] .

2..De vaststaande feiten

2.1.
Uit de vrouw is geboren de minderjarige [naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum minderjarige] 2013 te [geboorteplaats minderjarige] .
2.2.
De minderjarige is niet erkend.
2.3.
Bij beschikking van deze rechtbank van 2 april 2014 is oma met de voogdij over de minderjarige belast.

3..De beoordeling / voorbereiding

3.1.
De vrouw verzoekt te bepalen dat het ouderlijk gezag over de minderjarige wordt gewijzigd, in die zin dat zij met het ouderlijk gezag wordt belast.
3.1.1.
Op grond van artikel 1:253b lid 1 BW oefent de moeder uit wie het kind is geboren van rechtswege het gezag over het kind alleen uit, indien de ouders van een kind niet met elkaar gehuwd zijn dan wel gehuwd zijn geweest en zij het gezag niet gezamenlijk uitoefenen, tenzij zij bij haar bevalling onbevoegd tot het gezag was.
Op grond van lid 2 verkrijgt de in het eerste lid bedoelde moeder die ten tijde van haar bevalling onbevoegd was tot het gezag, dit van rechtswege op het tijdstip waarop zij daartoe bevoegd wordt, tenzij op dat tijdstip een ander met het gezag is belast.
Op grond van lid 3 kan de tot het gezag bevoegde ouder de rechtbank verzoeken hem met het gezag over het kind te belasten, indien op bedoeld tijdstip een ander het gezag heeft.
Op grond van lid 5 wordt, wanneer een voogd het gezag over het kind uitoefent, het verzoek slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.
3.1.2.
De vrouw is de tot het gezag bevoegde ouder zoals bedoeld in lid 3. Zij kan de rechtbank verzoeken haar met het gezag over de minderjarige te belasten.
De ouders van de minderjarige oefenen het gezag al niet gezamenlijk uit, zodat op grond van lid 1 in beginsel de vrouw van rechtswege het gezag over het kind alleen uitoefent. De vrouw was ten tijde van haar bevalling echter vanwege haar minderjarigheid onbevoegd tot het gezag.
Op grond van lid 2 kreeg zij dit gezag in beginsel alsnog van rechtswege op het tijdstip dat zij meerderjarig werd. Op dat tijdstip (22 augustus 2014) was echter een ander met het gezag belast, namelijk oma, op basis van de beschikking van 2 april 2014.
Op grond van lid 5 wordt het verzoek van de vrouw nu slechts afgewezen als gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van de minderjarige zouden worden verwaarloosd. De vrouw stelt onweersproken dat hier geen sprake van is.
De rechtbank zal het verzoek daarom toewijzen.
3.2.
Ten overvloede vermeldt de rechtbank dat op grond van artikel 1:281 lid 1 aanhef Pro en onder sub b BW de voogdij van oma eindigt op de dag, waarop in kracht van gewijsde is gegaan de beschikking waarbij het gezag over de onder haar voogdij staande minderjarige aan een of beide ouders is opgedragen. Op grond van lid 2 eindigt de voogdij daags nadat de beschikking is verstrekt of verzonden als de beschikking als in het eerste lid bedoeld, uitvoerbaar is verklaard bij voorraad.
3.3.
Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4..De beslissing

De rechtbank:
4.1.
belast de vrouw met het ouderlijk gezag over de minderjarige:
[naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum minderjarige] 2013 te [geboorteplaats minderjarige] ;
4.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.3.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.J. Klomp, rechter tevens kinderrechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier A.D. Lavieren op 4 januari 2022.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.