De rechtbank Rotterdam behandelde een zaak waarin verdachte werd verdacht van witwassen door het gebruik van geld voor de financiering van een pand te Rotterdam. De officier van justitie stelde dat het geld afkomstig was uit criminele activiteiten, onderbouwd met feiten over onverklaarde geldstromen en onduidelijke leningen binnen de familie.
De verdediging voerde aan dat het geld afkomstig was uit familiekapitaal uit Suriname, dat op diverse manieren naar Nederland was gebracht. De rechtbank oordeelde dat deze verklaring concreet en niet onwaarschijnlijk was en voldoende werd ondersteund door bewijsstukken en verklaringen van familieleden.
Hoewel het openbaar ministerie nader onderzoek deed en vraagtekens bleef houden over de fiscale transparantie en waardering van onroerend goed, kon de rechtbank niet met voldoende zekerheid uitsluiten dat het geld een legale herkomst had. Daarom werden de ten laste gelegde feiten niet bewezen verklaard en werd verdachte vrijgesproken.
Daarnaast werd het inbeslaggenomen pand teruggegeven aan de verdachte. De rechtbank verwierp ook het verzoek tot bewijsuitsluiting met betrekking tot verhoren van een derde, omdat de procedurele rechten naar het oordeel van de rechtbank niet waren geschonden.