Tussen [bedrijf A] als verhuurder en [bedrijf B] als huurder van een bedrijfsruimte bestaat een geschil over de hoogte van de boeterente op achterstallige servicekosten. De huurovereenkomst bevat een boetebeding in artikel 18.2 van de ROZ-voorwaarden, dat een boete van 2% per maand of minimaal € 300 oplegt bij niet-tijdige betaling.
In eerdere procedures is door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij arrest van 2 april 2019 een boeterente van 24% per jaar gehanteerd, maar partijen verschillen van mening over de uitleg van het boetebeding: [bedrijf A] stelt dat de boete cumulatief per maand moet worden berekend (ruime uitleg), terwijl [bedrijf B] betoogt dat de boete niet cumuleert (beperkte uitleg).
De kantonrechter oordeelt dat er geen uitdrukkelijke en ondubbelzinnige gerechtelijke erkenning van de ruime uitleg door [bedrijf B] is, maar dat uit het procesdebat en het arrest van 2 april 2019 impliciet blijkt dat ook [bedrijf B] van de ruime uitleg uitging. Het arrest heeft gezag van gewijsde en bindt partijen, waardoor het verweer van [bedrijf B] wordt verworpen.
De berekening van de boete door [bedrijf A] op € 358.241,15 wordt toegewezen, waarbij eerdere betalingen door [bedrijf B] zijn verdisconteerd. Ook andere betwiste berekeningen en verweren van [bedrijf B] worden afgewezen. [bedrijf B] wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag binnen zeven dagen, en tot proceskosten en nakosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.