Verzoekster, vermoedelijk lijdend aan de ziekte van Alzheimer, werd op 24 mei 2022 onder een crisismaatregel geplaatst door de burgemeester van Rotterdam op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). Verzoekster stelde dat deze maatregel onrechtmatig was omdat haar aandoening valt onder de Wet zorg en dwang (Wzd) en niet onder de Wvggz.
De rechtbank oordeelde dat de ziekte van Alzheimer een psychogeriatrische aandoening is en dat de Wvggz niet van toepassing is op verzoekster. De vermeende agressie werd niet voldoende onderbouwd als een psychische stoornis die de toepassing van de Wvggz rechtvaardigt. De crisismaatregel was daarom onrechtmatig.
Verder behandelde de rechtbank het verzoek tot schadevergoeding wegens immateriële schade door de onrechtmatige crisismaatregel. Gelet op de ernst van de situatie en de duur van drie dagen dat verzoekster niet de juiste zorg ontving, kende de rechtbank een billijke vergoeding van €150 toe.
De rechtbank bepaalde dat iedere partij haar eigen proceskosten draagt en wees het meer of anders verzochte af. De beschikking is gegeven op 12 juli 2022 door een meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam.