De rechtbank Rotterdam behandelde het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot beëindiging van het ouderlijk gezag over een minderjarige die sinds juni 2019 uit huis is geplaatst en bij een gecertificeerde instelling verblijft. De ouders en het kind hebben sinds juni 2021 geen contact meer, en het contact is ernstig verstoord door wederzijdse afwijzing en onbegrip. Diverse pogingen tot systeemtherapie en hulpverlening zijn mislukt, mede door voorwaarden die de ouders aan het contact stellen.
De minderjarige ontwikkelt zich momenteel goed op haar verblijfplaats, maar wordt belemmerd in haar persoonlijke ontwikkeling doordat ouders voorwaarden stellen aan toestemming voor belangrijke zaken zoals een paspoort of een bijbaantje. De rechtbank oordeelt dat het belang van het kind vereist dat het gezag van de ouders wordt beëindigd en dat de gecertificeerde instelling als voogd wordt benoemd, omdat deze een neutrale en objectieve positie inneemt en de belangen van het kind kan behartigen.
De ouders voeren verweer met verwijzing naar een ernstige hechtingsstoornis bij het kind en het ontbreken van passende hulpverlening, maar de rechtbank acht het verstoorde contact en het gebrek aan perspectief op herstel zwaarder. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard om het belang van het kind te waarborgen, en de ouders worden veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording over het vermogen van het kind.