De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen, geboren in 2008 en 2012, die bij hun moeder wonen en onder haar gezag staan. De ondertoezichtstelling was eerder opgelegd vanwege ernstige verstoring in de gezinssituatie, met name door het conflict tussen vader en moeder en het ontbreken van omgang tussen vader en kinderen.
Tijdens de mondelinge behandeling gaf de instelling aan dat de situatie nu verbeterd is: de moeder pakt haar ouderrol op, de relatie tussen moeder en kind is hersteld, en er zijn geen zorgen over de ontwikkeling van de kinderen. De enige zorg blijft het ontbreken van contact tussen vader en kinderen, wat voor de identiteitsontwikkeling van belang is. De vader heeft een positieve ontwikkeling doorgemaakt en staat open voor begeleiding.
De moeder voerde verweer en stelde dat het ontbreken van omgang onvoldoende is om de ondertoezichtstelling te verlengen. Zij benadrukte dat de situatie nu stabiel is en dat andere vrijwillige hulpverleningsmogelijkheden bestaan. De rechtbank overwoog dat de Hoge Raad hoge eisen stelt aan verlenging van een omgangsondertoezichtstelling en dat het ontbreken van omgang alleen geen ernstige bedreiging vormt. Gezien de positieve ontwikkelingen en het lopende familierechtelijke traject achtte de rechtbank verlenging niet noodzakelijk.
Daarom wees de kinderrechter het verzoek af. De beslissing kan binnen drie maanden worden aangevochten bij het gerechtshof Den Haag.