Eiser sloot in november 2020 een aannemingsovereenkomst met gedaagde voor het ontwerpen en plaatsen van een hekwerk. Na oplevering in maart 2021 ontstond een gebrek doordat een deur niet meer goed sloot, wat schade veroorzaakte aan een betonnen poer. Eiser stelde gedaagde meerdere malen in de gelegenheid om het gebrek te herstellen, maar gedaagde kwam hier niet toe.
Eiser stuurde op 29 oktober 2021 een ingebrekestelling met een hersteltermijn van veertien dagen. Gedaagde maakte geen gebruik van deze termijn, waarna eiser de herstelwerkzaamheden door een derde liet uitvoeren en de kosten daarvan (€393,25) op gedaagde verhaalde. Gedaagde voerde aan dat eiser tekort was geschoten in de schadebeperking, maar dit verweer werd verworpen omdat gedaagde zelf onvoldoende actie had ondernomen.
De rechtbank oordeelde dat gedaagde in verzuim was en veroordeelde hem tot betaling van de herstelkosten, wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. Tevens werden de proceskosten aan de zijde van eiser toegewezen en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.