Partijen hadden een affectieve relatie en voerden gezamenlijk een dierenartsenpraktijk in een woon-winkelpand dat in 2005 door gedaagde werd gekocht. In de samenlevingsovereenkomst van december 2005 is een slotverklaring opgenomen over de verdeling van de meerwaarde van het woonhuis bij beëindiging van de relatie, waarbij de waarde van het woonhuis destijds op €270.000 werd gesteld.
Na beëindiging van de samenleving in 2015 werd het pand per 1 januari 2016 getaxeerd op €325.000. Eiser vordert betaling van de helft van de meerwaarde (€27.500) op grond van de slotverklaring. Gedaagde betwist dit en stelt dat alleen de meerwaarde van het woongedeelte verdeeld moet worden en dat leningen aangegaan na de overeenkomst in mindering moeten worden gebracht.
De rechtbank oordeelt dat de term “woonhuis” in de slotverklaring het gehele pand omvat, mede gelet op de notariële e-mail en de waarde die partijen destijds hebben vastgesteld. De fiscale splitsing in woongedeelte en praktijkgedeelte is onvoldoende gemotiveerd om de uitleg te wijzigen. Verder wijst de rechtbank het verweer af dat de leningen in mindering moeten worden gebracht, omdat partijen de leningen samen hebben gedragen en afgelost.
De vordering van eiser wordt toegewezen tot betaling van €27.500 vermeerderd met wettelijke rente vanaf dagvaarding, alsmede vergoeding van buitengerechtelijke kosten en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.