De rechtbank Rotterdam sprak verdachte vrij van twee ten laste gelegde afpersingen die in juli en augustus 2018 zouden hebben plaatsgevonden. Het onderzoek startte na een aangifte waarbij het slachtoffer gedwongen werd geld te pinnen en af te geven. Er waren conflicten tussen betrokken partijen, waaronder zakelijke geschillen en persoonlijke vetes.
De rechtbank stelde vast dat de verhoren van getuigen op een sturende en subjectieve wijze waren afgenomen, waarbij niet alles werd opgeschreven en onderzoeksresultaten aan getuigen werden voorgehouden. Hierdoor kon alleen gebruik worden gemaakt van verklaringen die door onafhankelijke bronnen werden bevestigd.
Hoewel er aanwijzingen waren dat verdachte betrokken was bij de afpersingen, ontbrak het aan wettig en overtuigend bewijs dat hij daadwerkelijk opdracht gaf of deelnam aan de afpersingen. De verklaringen van getuigen werden niet voldoende ondersteund door onafhankelijke bronnen. De rechtbank concludeerde dat verdachte niet schuldig was en sprak hem vrij van alle ten laste gelegde feiten.