Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
1..[naam eiser 1],
2.
[naam eiser 2],
3.
[naam eiser 3],
1..[naam gedaagde 1],
2.
[naam gedaagde 2],
3.
HERPERDUIN PARKBEHEER B.V.,
1..De procedure
- de mondelinge behandeling van 30 mei 2022.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Rotterdam
De rechtbank Rotterdam behandelde een civiele zaak over een geschil tussen eisers, die paarden stallingen en verzorging leverden, en gedaagden, die deze diensten afnamen. De kern van het geschil betrof de betaling van openstaande facturen en de uitoefening van een retentierecht op twee paarden.
Eisers voerden aan dat gedaagden tekort waren geschoten in hun betalingsverplichtingen en dat zij het retentierecht mochten uitoefenen op de paarden zolang de vorderingen niet voldaan waren. Gedaagden betwistten de aansprakelijkheid en stelden onder meer dat de vennootschap onder firma geen vorderingsrecht had en dat de stallingskosten onredelijk hoog waren.
De rechtbank oordeelde dat de overeenkomst tussen eisers en gedaagden was gesloten met de natuurlijke persoon [naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 2], die hoofdelijk aansprakelijk zijn. Het beroep op schuldeisersverzuim werd verworpen wegens onvoldoende onderbouwing. Het retentierecht werd geaccepteerd als rechtsgeldig en proportioneel, aangezien de waarde van de paarden de vordering niet onevenredig overtrof.
De rechtbank wees de vordering toe tot een bedrag van € 32.014,12 vanaf september 2021, vermeerderd met € 1.215,- per maand voor stallingskosten en wettelijke rente. De proceskosten werden aan de zijde van eisers vastgesteld op € 4.715,26, terwijl de vordering tegen Herperduin werd afgewezen.
Uitkomst: Gedaagden worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 32.014,12 plus maandelijkse stallingskosten en wettelijke rente, met veroordeling in proceskosten.