De rechtbank Rotterdam heeft op 5 juli 2022 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen een veroordeelde die eerder is veroordeeld voor het plegen van gewoontewitwassen. De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tot een maximum van €95.160,23, verminderd tot €89.160,23 na aftrek van contante opnames buiten de ten laste gelegde periode.
De verdediging betwistte de ontvankelijkheid van de vordering en de berekening van het voordeelsbedrag, maar de rechtbank verklaarde de vordering ontvankelijk en verwierp het verweer omtrent de berekening. De rechtbank baseerde zich op een rapport van 24 september 2020 waarin met een eenvoudige kasopstelling is vastgesteld dat de veroordeelde meer contant heeft uitgegeven dan hij legitiem heeft ontvangen, wat duidt op wederrechtelijk verkregen voordeel.
De rechtbank stelde het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €84.160,23, na een vermindering van €5.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de afhandeling van de ontnemingsvordering. De veroordeelde is verplicht dit bedrag aan de staat te betalen. De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en houdt rekening met de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde.