De rechtbank Rotterdam heeft op 5 juli 2022 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen de veroordeelde, die eerder is veroordeeld voor het plegen van gewoontewitwassen. De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tot een maximum van €36.220, gebaseerd op een rapport met een eenvoudige kasopstelling.
De verdediging voerde aan dat de kasopstelling onjuist was omdat overboekingen niet waren meegenomen en dat de stortingen gecompenseerd werden door overboekingen, waardoor geen sprake zou zijn van wederrechtelijk voordeel. De rechtbank verwierp dit verweer en stelde vast dat de kasopstelling een sterke aanwijzing vormt dat de veroordeelde voordeel heeft genoten uit criminele activiteiten.
Op basis van het rapport en de berekeningen werd het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €36.220, waarvan de rechtbank €3.000 in mindering bracht vanwege overschrijding van de redelijke termijn. De veroordeelde werd daarom veroordeeld tot betaling van €33.220 aan de staat. De beslissing is gebaseerd op artikel 36e Sr en houdt rekening met de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde.