In deze civiele procedure stond centraal de vraag of gedaagde de overeenkomst met eiser vóór 19 april 2019 had opgezegd. Gedaagde beriep zich op een gesprek van 24 juli 2018 als bewijs van opzegging, ondersteund door een handgeschreven verklaring van een derde. De rechtbank vond deze verklaring onvoldoende overtuigend en oordeelde dat gedaagde niet aan zijn bewijslast had voldaan.
De rechtbank ging vervolgens over tot de beoordeling van de openstaande facturen van eiser tot 19 april 2019. Op basis van de beschikbare facturen en betalingstermijnen werd een bedrag van €27.037,05 toegewezen, inclusief wettelijke handelsrente vanaf de vervaldatum. Vorderingen over perioden na 19 april 2019 werden afgewezen vanwege het ontbreken van facturen en omdat deze na de vermeende opzegdatum vielen.
De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten werd grotendeels afgewezen, waarbij alleen het minimumbedrag van €40 werd toegekend wegens onvoldoende onderbouwing. De proceskosten werden tussen partijen gecompenseerd, ieder draagt zijn eigen kosten. De vordering in reconventie van gedaagde werd afgewezen en hij werd veroordeeld in de proceskosten daarvan.
Het vonnis werd gewezen door rechter J. van den Bos en is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.