Eiser ontving een naheffingsaanslag parkeerbelasting van €66,26 wegens parkeren zonder betaling op de Noordschans te Rotterdam. Verweerder, de gemeente Rotterdam, verklaarde het bezwaar ongegrond zonder eiser te horen, hoewel er nog voldoende tijd was binnen de verdaagde beslistermijn. De rechtbank oordeelt dat hierdoor de hoorplicht is geschonden.
De ingebrekestelling was prematuur, waardoor de beslistermijn niet was verstrijkt en verweerder niet gebonden was aan de termijn van veertien dagen. Het niet horen van eiser leidt tot vernietiging van het bestreden besluit en terugwijzing naar verweerder voor een nieuwe beslissing na het alsnog horen van eiser.
De rechtbank past artikel 8:41, derde lid, Awb niet toe omdat de besluiten niet uit één samenstel van feiten voortkomen. Het betaalde griffierecht wordt aan eiser vergoed en verweerder wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten. De zaak werd gelijktijdig behandeld met zestien andere samenhangende zaken, waarvoor een wegingsfactor van 1,5 werd toegepast bij de proceskostenvergoeding.