ECLI:NL:RBROT:2022:6070
Rechtbank Rotterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopig getuigenverhoor wegens verjaring civiele vordering
De kantonrechter van de rechtbank Rotterdam behandelde het verzoek van verzoeker tot het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor tegen verweerster. Verzoeker stelde dat verweerster in 2011 onrechtmatig heeft gehandeld door valse verklaringen af te leggen die zijn reputatie schaden. Hij overwoog een civiele procedure voor verklaring voor recht en/of schadevergoeding.
Verweerster erkende deelname aan publicaties, maar ontkende valse verklaringen en stelde dat de zaak verder moest rusten. De kantonrechter oordeelde dat hij bevoegd was om over het verzoek te beslissen en dat een voorlopig getuigenverhoor in principe kan worden bevolen indien feiten betwist zijn en bewijs door getuigen is toegelaten.
Echter, de kantonrechter stelde vast dat de civiele vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatige daad verjaard is, omdat de feiten uit 2011 bekend waren en de verjaringstermijn van vijf jaar is verstreken zonder stuiting. Ook het strafrechtelijke recht tot vervolging was vervallen. Hierdoor ontbrak het verzoeker aan voldoende belang bij het verzoek.
Het verzoek werd daarom afgewezen en verzoeker werd veroordeeld in de proceskosten, die nihil werden vastgesteld vanwege het ontbreken van een gemachtigde bij verweerster.
Uitkomst: Het verzoek tot voorlopig getuigenverhoor wordt afgewezen wegens verjaring en gebrek aan voldoende belang.