Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
beschikking
de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht,
[naam minderjarige] ,
[naam moeder] ,
[naam vader] ,
Het procesverloop
De feiten
Het verzoek
De standpunten
De beoordeling
De beslissing
Den Haag.
Rechtbank Rotterdam
De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank Rotterdam om een ondertoezichtstelling van een minderjarige voor de duur van twaalf maanden vanwege zorgen over de opvoedsituatie en de persoonlijke problematiek binnen het gezin.
De kinderrechter behandelde de zaak op 7 januari 2022 achter gesloten deuren. De ouders oefenden gezamenlijk het ouderlijk gezag uit en de minderjarige woonde bij de moeder. De Raad stelde dat er sprake was van kindeigen problematiek en dat de ouders een verschillende opvoedstijl hadden, wat verwarring veroorzaakte bij de minderjarige. Tevens was er zorg over de weerbaarheid van de moeder ten opzichte van de stiefvader.
De moeder en vader voerden verweer en gaven aan dat de situatie rustiger was geworden sinds het uit elkaar gaan van de moeder en stiefvader. Het contact tussen ouders verliep positief en zij accepteerden hulpverlening in een vrijwillig kader. De kinderrechter concludeerde dat de situatie was verbeterd, de relatie tussen moeder en stiefvader was beëindigd en dat er onvoldoende ernstige ontwikkelingsbedreiging bestond om een ondertoezichtstelling te rechtvaardigen.
Daarom wees de rechtbank het verzoek van de Raad af. De beschikking werd mondeling gegeven op 7 januari 2022 en schriftelijk vastgesteld op 19 januari 2022. Hoger beroep kan binnen drie maanden worden ingesteld.
Uitkomst: Het verzoek tot ondertoezichtstelling wordt afgewezen wegens onvoldoende ernstige ontwikkelingsbedreiging.