ECLI:NL:RBROT:2022:6267
Rechtbank Rotterdam
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot wraking van rechters wegens vermeend gebrek aan legitimatie afgewezen
Verzoekster diende een wrakingsverzoek in tegen drie rechters van de rechtbank Rotterdam, stellende dat zij zich niet hadden gelegitimeerd met een identiteitsbewijs en aanstellingsbewijs met de handtekening van de Koning of Koningin. Volgens verzoekster kon zij daardoor niet verifiëren dat het daadwerkelijk beëdigde rechters waren.
De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 17 van Pro de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften en artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering. Hierbij geldt de uitgangspositie dat rechters worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij sprake is van een zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid of een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor.
De kamer oordeelde dat het verzoek kennelijk ongegrond is, omdat verzoekster geen feitelijke onderbouwing gaf voor enige schijn van vooringenomenheid of een gerechtvaardigde vrees daarvoor. Het enkel niet tonen van legitimatie was onvoldoende om de onpartijdigheid van de rechters in twijfel te trekken.
Daarom werd het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard en werd een mondelinge behandeling achterwege gelaten. De beslissing werd op 8 juli 2022 in het openbaar uitgesproken door de wrakingskamer van de rechtbank Rotterdam.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechters is niet-ontvankelijk verklaard wegens kennelijke ongegrondheid.