Eiser, voormalig leerling steigerbouwer, meldde zich ziek na een bedrijfsongeval en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 48,29% op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek per 14 december 2020. Eiser maakte bezwaar en beroep tegen dit besluit, stellende dat zijn beperkingen groter zijn en dat het onderzoek onzorgvuldig was.
De rechtbank beoordeelde de medische rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen, die zorgvuldig, eenduidig en zonder tegenstrijdigheden waren opgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep nam extra beperkingen mee voor blaasklachten en psychische klachten zoals PTSS en depressie, maar vond geen aanleiding voor een urenbeperking. De door eiser overgelegde medische stukken waren grotendeels verouderd en boden geen nieuwe inzichten rondom de datum in geding.
De arbeidsdeskundige bevestigde dat eiser met zijn beperkingen nog functies kan verrichten die 51,71% van zijn oorspronkelijke loon opleveren. De rechtbank concludeerde dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid op 48,29% heeft vastgesteld en verklaarde het beroep van eiser ongegrond. Proceskosten en griffierecht worden niet vergoed.