De rechtbank Rotterdam behandelde op 24 mei 2022 een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot beëindiging van het ouderlijk gezag van de vader over een minderjarige. De minderjarige verblijft sinds 2017 niet meer bij de vader en sinds 2019 in een gezinshuis vanwege een instabiele opvoedsituatie en ernstige bedreiging van haar ontwikkeling.
De vader heeft ondanks zijn inspanningen niet kunnen voorkomen dat de situatie onhoudbaar werd. De minderjarige vertoont terugval in gedrag en heeft behoefte aan rust, stabiliteit en duidelijkheid. De Raad en de gecertificeerde instelling ondersteunen het verzoek tot beëindiging van het gezag en benoeming van de GI als voogd.
De rechtbank oordeelt dat de aanvaardbare termijn voor terugplaatsing bij de vader is verstreken en dat het in het belang van de minderjarige is het gezag te beëindigen. De GI wordt benoemd tot voogd en de vader wordt verplicht verantwoording af te leggen over het vermogen van de minderjarige. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.