De rechtbank Rotterdam behandelde een civiele zaak tussen eiser en MijnVerklaring over een ontbinding van een overeenkomst en een vordering tot inkomensschadevergoeding.
Eiser stelde dat hij recht had op een hoger inkomen dan de CAO-trede 7 waarop MijnVerklaring zich baseerde, namelijk trede 12. Hij kon dit echter niet voldoende onderbouwen, noch met een volledige arbeidsovereenkomst noch met bewijs van een mondelinge afspraak. De rechtbank concludeerde dat eiser zijn stelplicht en bewijslast niet had voldaan.
Het tussenvonnis van 3 november 2021 wees de ontbinding van de overeenkomst toe. De rechtbank bevestigde dat MijnVerklaring tekortgeschoten is in haar kernverbintenis jegens eiser, wat ontbinding rechtvaardigt. De vorderingen tot immateriële schadevergoeding en verklaring omtrent het niet tijdig aanvragen van een VOG werden afgewezen.
De rechtbank veroordeelde MijnVerklaring in de proceskosten en stelde een specificatie van de advocaatkosten vast. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde werd afgewezen.