ECLI:NL:RBROT:2022:6421

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 juli 2022
Publicatiedatum
1 augustus 2022
Zaaknummer
FT EA 22/409
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FaillissementswetArt. 285 FaillissementswetArt. 288 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw en twijfel aan nakoming verplichtingen

Verzoeker diende op 6 mei 2022 een verzoekschrift in voor toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. De rechtbank hield op 13 juni 2022 een zitting waarin verzoeker werd gehoord.

De rechtbank beoordeelde of verzoeker te goeder trouw was ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek en of hij de verplichtingen uit de regeling naar behoren zou nakomen. Uit het dossier bleek dat een deel van de schulden bij het CJIB niet te goeder trouw was ontstaan, mede omdat verzoeker een auto op zijn naam had gezet voor een vriend die boetes veroorzaakte en verzoeker zelf zonder rijbewijs boetes kreeg.

Ook was er twijfel over de huurschuld, die gedeeltelijk onbetaald bleef door detentie van verzoeker. Verder was verzoeker recent twee maanden in detentie geweest voor strafzaken gerelateerd aan rijden onder invloed en winkeldiefstal, waarbij sprake was van psychische klachten. De rechtbank achtte onvoldoende aannemelijk dat verzoeker zijn problemen onder controle had en zijn verplichtingen zou nakomen. Verzoeker leverde ook geen bewijs van sollicitaties aan. Daarom wees de rechtbank het verzoek af.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens gebrek aan goede trouw en twijfel aan nakoming van verplichtingen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 4 juli 2022
[verzoeker],
[adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoeker.

1..De procedure

Verzoeker heeft op 6 mei 2022 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoeker is gehoord ter terechtzitting van 13 juni 2022

2..De feiten

Verzoeker ontvangt inkomsten uit uitkering. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet Pro € 38.710,90.

3..De beoordeling

Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest en dat hij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat het één noch het ander in het voorliggende geval aannemelijk is.
De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.
Verzoeker heeft schulden bij het CJIB met een totaalbedrag van € 4.452,00. Deze schulden zijn naar hun aard niet te goeder trouw ontstaan. Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat deze zijn ontstaan doordat hij een paar jaar geleden een auto op zijn naam had laten zetten voor een vriend, die daarmee boetes reed. Deze vriend haalde ook de post weg, zodat verzoeker niet tijdig door heeft gehad dat dit gebeurde. De rechtbank acht deze toedracht niet zonder meer aannemelijk. Bovendien blijkt uit de recente overzichten van het CJIB dat er ook in 2020 en 2021 nog boetes zijn ontstaan voor onder meer onverzekerd rondrijden en door rood rijden. Ter zitting is gebleken dat deze boetes (in ieder geval deels) door verzoeker zelf zijn veroorzaakt. Dit terwijl verzoeker niet over een geldig rijbewijs beschikt omdat hij eerder (onder invloed van alcohol) betrokken is geweest bij een aanrijding met een persoon.
Verzoeker heeft ter zitting aangegeven dat de vordering van de heer [persoon A] is ontstaan als gevolg van fraude. Ook schuld is naar zijn aard niet te goeder trouw ontstaan. De heer [persoon A] zou volgens verzoeker geld hebben overgemaakt naar zijn bankrekening, die vervolgens door anderen gebruikt zou zijn om het geld op te nemen. De ex-vriendin zou verklaard hebben dat zij dit gedaan, had toen verzoeker in het café aan het werk was. Deze verklaring wordt niet op enige wijze ondersteund.
Voorts is gebleken dat de betalingsregeling die inzake de huurschuld met Havensteder was getroffen niet is nagekomen omdat het inkomen wegviel toen verzoeker dit jaar twee maanden, in detentie zat. De rechtbank acht het onbetaald laten van de huurschuld (voor dat deel) ook te kwader trouw.
Mede op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat bovendien niet voldoende aannemelijk is geworden dat verzoeker de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
Verzoeker heeft recent twee maanden in detentie gezeten voor strafzaken die verband hielden met rijden onder invloed, en een winkeldiefstal uit 2019. Ter zitting is gebleken dat verzoeker deze delicten heeft gepleegd onder invloed van psychische klachten. Verzoeker zegt zijn alcoholgebruik onder controle te hebben, maar heeft daarvoor geen behandeling ondergaan. De diefstal zou gepleegd zijn in een depressieve periode. Uit de na de zitting aangeleverde stukken blijkt dat verzoeker daarvoor wel behandeling heeft gezocht, maar dat deze is gestaakt vanwege zijn detentie. De behandeling is nog niet hervat, zo blijkt uit hetgeen ter zitting is besproken en de aangeleverde stukken. Naar het oordeel van de rechtbank is ook anderszins onvoldoende aannemelijk geworden dat de problemen die hebben geleid tot de gepleegde feiten en tot (te kwader trouw) schulden, voldoende onder controle zijn. Daarom bestaat bij de rechtbank de vrees dat verzoeker zijn verplichtingen van de schuldsaneringsregeling niet naar behoren zal kunnen nakomen.
Dat verzoeker zich zal inspannen om zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven, is evenmin voldoende aannemelijk geworden. Bij brief van 16 juni 2022 is verzoeker in de gelegenheid gesteld op uiterlijk 27 juni 2022 stukken aan te leveren waaruit blijkt dat hij een sollicitatie had lopen en uitzicht had op een baan (zoals ter zitting aangegeven). Verzoeker heeft deze stukken niet aangeleverd.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.

4..De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.E. Prenger, rechter, en in aanwezigheid van S. Desrosiers, griffier, in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2022 . [1]