Verzoekster diende een verzoek in tot toepassing van artikel 287a Faillissementswet om een tweetal schuldeisers, DSW en CZ, te dwingen in te stemmen met een aangeboden schuldregeling. De regeling bood een zeer laag percentage betaling aan preferente en concurrente schuldeisers tegen finale kwijting. DSW en CZ, die samen 80,5% van de schuldenlast vertegenwoordigen, stemden niet in vanwege vermoedens van zorgfraude en onrechtmatige declaraties die reeds door de rechter waren vastgesteld.
Verzoekster was niet aanwezig bij de zitting wegens ziekte. Uit stukken en verklaringen bleek dat verzoekster sinds 2012 een Participatiewet-uitkering ontvangt, langdurige psychische belemmeringen heeft en niet belastbaar is voor arbeid. Echter, er waren geen medische verklaringen die dit volledig onderbouwden en er bestond een vermoeden dat verzoekster opnieuw een zorginstelling had opgericht en mogelijk frauduleus had gehandeld.
De rechtbank oordeelde dat onvoldoende aannemelijk was dat verzoekster niet in staat zou zijn om in de toekomst een hogere afloscapaciteit te genereren. Ook was onvoldoende onderbouwd dat de aangeboden regeling het uiterste was wat zij kon bieden. Gezien het grote belang van DSW en CZ bij volledige betaling en de vermoedens van frauduleus handelen, woog het belang van deze schuldeisers zwaarder dan dat van verzoekster en de overige schuldeisers.
Daarom werd het verzoek tot gedwongen schuldregeling afgewezen. De rechtbank verwees naar een afzonderlijke beslissing over het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.