ECLI:NL:RBROT:2022:6458
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot toepassing schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw
Verzoekster heeft een verzoek ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, maar is niet verschenen bij de zitting. De rechtbank beoordeelde of verzoekster te goeder trouw was bij het ontstaan en het onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek.
De rechtbank constateerde dat verzoekster eerder veroordeeld is wegens zorgfraude en dat er een vermoeden bestaat dat zij opnieuw frauduleus heeft gehandeld door het oprichten van een zorginstelling en het doen van onrechtmatige declaraties. Er is een onderzoek geweest waaruit blijkt dat verzoekster mogelijk aanvullende inkomsten heeft genoten die niet zijn gebruikt om schulden af te lossen en dat zij geen saneringsgezinde houding heeft aangenomen.
Verder heeft verzoekster onvoldoende aangetoond dat zij aan haar inspanningsplicht heeft voldaan, zoals het verrichten van sollicitaties of het werken aan haar psychische klachten. De rechtbank achtte het niet aannemelijk dat verzoekster binnen de schuldsaneringsregeling aan de verplichtingen zal voldoen.
Daarom heeft de rechtbank het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen. Dit besluit betekent niet dat er geen andere redenen zijn voor afwijzing, maar de gebrekkige goede trouw en het ontbreken van inspanningen tot schuldbetaling waren voldoende gronden.
Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van goede trouw en het ontbreken van saneringsgezindheid.