Verzoeker heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van zijn huurwoning opschort. De rechtbank beoordeelt dat sprake is van een bedreigende situatie vanwege een vonnis tot ontruiming en een exploot dat ontruiming aankondigt.
Hoewel verweerster stelt dat er ook sprake is van woonfraude, acht de rechtbank onvoldoende bewijs dat dit een grond is voor ontruiming naast de huurachterstand. Verzoeker ontvangt budgetbeheer en schuldhulpverlening heeft bevestigd dat het inkomen toereikend is om de huur te betalen. De huur over mei en juni 2022 is tijdig voldaan.
De rechtbank weegt het belang van verzoeker, die in de woning wil blijven en het schuldhulpverleningstraject wil voortzetten, zwaarder dan het belang van verweerster bij uitvoering van het ontruimingsvonnis. Daarom wordt het moratorium voor zes maanden toegewezen onder de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden voldaan.
Daarnaast wordt verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, omdat het minnelijk traject naar verwachting niet snel afgerond zal zijn. De voorziening geldt onder de voorwaarde van tijdige betaling en schuldhulpverlening moet uiterlijk twee weken voor afloop verslag uitbrengen.