Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1..Onderzoek op de terechtzitting
2..Vordering
€ 179.208,90.
Rechtbank Rotterdam
De rechtbank Rotterdam behandelde op 1 februari 2022 een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van €179.208,90. De veroordeelde was eerder veroordeeld voor feitelijke leiding over valsheid in geschrift gepleegd door twee uitzendbureaus. De ontnemingsvordering was gebaseerd op het verschil tussen gedeclareerde en daadwerkelijk uitbetaalde lonen.
De verdediging betoogde dat er geen wederrechtelijk voordeel was genoten en dat de betalingsverplichting nihil moest worden vastgesteld wegens gebrek aan draagkracht. De rechtbank stelde vast dat het voordeel mogelijk voortvloeit uit belastingdelicten, aangezien de onttrokken gelden niet als verduisterd konden worden aangemerkt en de veroordeelde feitelijk zeggenschap had over de rechtspersonen.
Op grond van artikel 74 van Pro de Algemene wet inzake Rijksbelastingen is artikel 36e Sr niet van toepassing op fiscale delicten. De rechtbank concludeerde dat het voordeel rechtstreeks voortkomt uit belastingdelicten en verklaarde de officier van justitie niet-ontvankelijk in haar vordering tot ontneming.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming wegens het voortvloeien van het voordeel uit belastingdelicten.