Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..Procesverloop
- het verzoekschrift van verzoeker, ingekomen op 28 juni 2022; en
- het schriftelijk standpunt van de officier, ingekomen op 30 juni 2022.
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker was onder een zorgmachtiging geplaatst die geldig was tot 1 juli 2022. Op 16 maart 2022 verzocht hij om ontslag, maar dit verzoek werd door de geneesheer-directeur afgewezen. Verzoeker stuurde vervolgens op 13 april 2022 een ontslagverzoek aan de officier van justitie met het verzoek dit onverwijld aan de rechtbank door te zenden. De officier heeft dit verzoek niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn ingediend, waardoor sprake was van een termijnoverschrijding.
De rechtbank stelde vast dat de officier vanaf 21 april 2022 in verzuim was en dat de termijn van artikel 8:19 lid 3 Wvggz Pro met 33 dagen werd overschreden. Verzoeker vorderde een schadevergoeding van € 720,-, gebaseerd op € 20,- per dag. De officier erkende het verzuim, maar betwistte dat verzoeker schade had geleden.
De rechtbank oordeelde dat verzoeker voldoende aannemelijk had gemaakt dat hij immateriële schade had geleden in de vorm van spanning en frustratie door de onzekerheid over zijn ontslag. Gelet op de ernst van de normschending en de omstandigheden van verzoeker werd de schadevergoeding vastgesteld op € 10,- per dag, totaal € 330,-. De Staat werd veroordeeld tot betaling van dit bedrag, met onmiddellijke uitvoerbaarheid van de beschikking.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Staat tot betaling van € 330,- schadevergoeding wegens overschrijding van de termijn voor het indienen van het ontslagverzoek.