De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving, bedreiging, mishandeling, diefstal met valse sleutel en binnendringen van een woning tijdens de nachtrust. De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk.
Tijdens de terechtzittingen op 20, 21 juni en 15 juli 2022 werd het bewijs onderzocht, waarbij de verklaringen van de aangever centraal stonden. De rechtbank oordeelde dat deze verklaringen tegenstrijdig, inconsistent en onbetrouwbaar waren, mede doordat de aangever zijn verklaringen had aangepast en essentiële details niet meer kon herinneren. Ook was er sprake van mogelijke beïnvloeding van de aangever.
Daarnaast kon het overige bewijs, waaronder getuigenverklaringen, niet overtuigend vaststellen wat er precies was gebeurd. De rechtbank concludeerde dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs was om de tenlastegelegde feiten te bewijzen. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar schadevordering. De verdachte werd vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten.