De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van diefstal in vereniging uit een woning met een valse sleutel, medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving, bedreiging en het medeplegen van het binnendringen van een woning tijdens de nachtrust. De officier van justitie eiste gedeeltelijke bewezenverklaring en een gevangenisstraf van 16 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk.
Tijdens de terechtzittingen van juni en juli 2022 werd het bewijs onderzocht, waarbij de verklaringen van de aangever centraal stonden. De rechtbank oordeelde dat deze verklaringen tegenstrijdigheden bevatten, inconsistent waren en niet betrouwbaar konden worden geacht, mede door aanwijzingen van poging tot beïnvloeding van verklaringen en het onvermogen van de aangever essentiële details te herinneren.
De overige bewijsmiddelen boden onvoldoende ondersteuning om de tenlasteleggingen wettig en overtuigend te bewijzen. Ook getuigenverklaringen toonden aan dat de verdachte en medeverdachten handelden op instructie van de aangever, zonder oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening of binnendringen. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding. De rechtbank sprak verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten.