De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van mishandeling, medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving, bedreiging, diefstal met valse sleutel en woninginbraak tijdens de nachtrust. De officier van justitie was ontvankelijk voor de mishandeling, maar de rechtbank sprak verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten.
De rechtbank baseerde haar oordeel vooral op de onbetrouwbaarheid van de verklaringen van de aangever, die tegenstrijdigheden vertoonden en tijdens het onderzoek meerdere keren werden aangepast. Daarnaast was er sprake van een poging tot beïnvloeding van de verklaring van de aangever tegen betaling. Dit leidde ertoe dat de verklaringen niet als wettig en overtuigend bewijs konden worden gebruikt.
Verder bleek uit getuigenverklaringen dat de vermeende diefstal en het binnendringen van de woning plaatsvonden met toestemming van de bewoner, waardoor het wederrechtelijk karakter ontbrak. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien verdachte werd vrijgesproken.
De rechtbank concludeerde dat onvoldoende bewijs bestond om verdachte te veroordelen en sprak hem vrij van alle ten laste gelegde feiten, waarbij tevens de benadeelde partij in de kosten werd veroordeeld.