De rechtbank Rotterdam behandelde op 23 juni 2022 de zaak tegen de verdachte die werd vervolgd voor meerdere feiten, waaronder het voorhanden hebben van vals geld, voorbereidingshandelingen in de zin van de Opiumwet, bezit van een vuurwapen en drugs. De officier van justitie eiste 12 maanden gevangenisstraf.
De verdediging stelde dat de doorzoeking onrechtmatig was en dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard. De rechtbank oordeelde echter dat de doorzoeking rechtmatig was en dat het bewijs op rechtmatige wijze was verkregen. De verdachte werd vrijgesproken van het bezit van vals geld en voorbereidingshandelingen, omdat onvoldoende bewijs bestond voor wetenschap of oogmerk.
Voor het bezit van een vuurwapen, munitie, MDMA, hennep en hasjiesj werd de verdachte wel veroordeeld. De rechtbank achtte bewezen dat de verdachte samen met een ander het vuurwapen en de drugs voorhanden had, ondanks ontkenningen. Gelet op de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden werd een gevangenisstraf van 4 maanden opgelegd, met aftrek van voorarrest.