ECLI:NL:RBROT:2022:6662

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 juni 2022
Publicatiedatum
10 augustus 2022
Zaaknummer
FT EA 22/401 en FT EA 22/402
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a FwArt. 288 lid 3 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing dwangakkoord bij geschil over schuldregeling met preferente schuldeiser

Verzoeker heeft een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, inclusief een preferente schuldeiser die weigert in te stemmen met het akkoord. De totale schuldenlast bedroeg circa €114.760, waarvan de preferente schuldeiser een vordering van bijna €19.921 heeft. De regeling voorziet in een betaling van een klein percentage van de vordering tegen finale kwijting, gebaseerd op de afloscapaciteit van verzoeker die een Participatiewet-uitkering ontvangt.

De rechtbank constateert dat zestien van de zeventien schuldeisers het akkoord hebben aanvaard en dat de preferente schuldeiser niet is verschenen ter zitting. De schuld aan de Belastingdienst zal naar verwachting door recente aangiften aanzienlijk worden verlaagd, wat het uitkeringspercentage ten goede komt. De regeling is getoetst en ondersteund door een onafhankelijke partij, de Kredietbank Rotterdam.

De rechtbank oordeelt dat verzoeker voldoende inspanningen heeft geleverd om het maximale haalbare aan te bieden, mede gelet op zijn medische situatie en vrijstelling van sollicitatieplicht. Het verzoek tot dwangakkoord wordt toegewezen, waarbij de weigering van de preferente schuldeiser niet redelijk wordt geacht. Het subsidiaire verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen omdat het akkoord een gunstiger resultaat oplevert voor schuldeisers.

De preferente schuldeiser wordt veroordeeld in de proceskosten, welke nihil zijn begroot omdat verzoeker niet door een advocaat is bijgestaan. Het vonnis treedt in de plaats van vrijwillige instemming en is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Verzoek tot dwangakkoord wordt toegewezen en preferente schuldeiser wordt veroordeeld in de kosten.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 23 juni 2022
in de zaak van:
[naam verzoeker],
wonende te [adres]
[woonplaats],
verzoeker.

1..De procedure

Verzoeker heeft op 2 mei 2022, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om één schuldeiser, te weten:
- [naam schuldeiser], vertegenwoordigd door LAVG (hierna: [naam schuldeiser]);
die weigert mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
[naam schuldeiser] heeft voorafgaand aan de zitting een verweerschrift toegezonden.
Ter zitting van 16 juni 2022 is verschenen en gehoord:
- verzoeker;
Ter zitting van 16 juni 2022 is telefonisch gehoord conform TARIC (de Tijdelijk afwijkende regeling Insolventiezaken rechtbank vanwege de bijzondere omstandigheden door de coronacrisis):
- mevrouw A.R. de Vries, werkzaam bij Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening).
De weigerende schuldeiser is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
Schuldhulpverlening heeft op 20 juni 2022 en 22 juni 2022 nadere stukken toegezonden aan de rechtbank.
De uitspraak is bepaald op heden.

2..Het verzoek

Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift zeventien schuldeisers, waarvan één preferente schuldeiser met één vordering en zeventien concurrente schuldeisers met achttien vorderingen. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 114.760,06 van verzoeker te vorderen.
Verzoeker heeft bij brief van 6 juli 2021 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, inhoudende een betaling van 2,38% aan de preferente schuldeisers en 1,19% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting. De totale schuldenlast bedroeg ten tijde van de aanbiedingsbrief € 98.221,21. Op 12 oktober 2022 had schuldhulpverlening verzoeker bericht dat alle schuldeisers akkoord waren. Daarna is gebleken dat verzoeker nog een schuld had bij [naam schuldeiser] van € 19.921,18. Schuldhulpverlening heeft [naam schuldeiser] op
14 oktober 2021 een schuldregeling aangeboden, inhoudende een betaling van 1,07% tegen finale kwijting.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoeker is gebaseerd op zijn Participatiewet-uitkering. Verzoeker is door de uitkeringsinstantie vrijgesteld van de sollicitatieplicht tot 14 oktober 2022. Verzoeker heeft in 2018 een auto ongeluk gehad, wat in eerste instantie heeft geleid tot ernstig lichamelijk letsel. Verzoeker is momenteel onder behandeling bij een psycholoog voor zijn psychische klachten. Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat hij wel aan het solliciteren is en dat hij al op gesprek is geweest voor de functie van magazijnmedewerker. De aangeboden regeling voorziet in uitkering van een prognosepercentage. Dat betekent dat de afloscapaciteit eventueel nog hoger of nog lager zal kunnen uitvallen (bijvoorbeeld als het inkomen wijzigt). Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden. Verzoeker heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en zijn vaste lasten worden inmiddels door zijn budgetbeheerder voldaan.
Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat zij de overige schuldeisers op de hoogte heeft gesteld van de schuld bij [naam schuldeiser], waardoor de totale schuldenlast is toegenomen. Geen van de schuldeisers heeft aanleiding gezien om het akkoord daarop in te trekken.
Schuldhulpverlening heeft voorts verklaard dat verzoeker met hulp van een boekhouder aangifte heeft gedaan waardoor (een gedeelte van) de preferente vordering van de Belastingdienst op nihil is gesteld. De totale schuldenlast is, inclusief de bijkomende schuld van [naam schuldeiser] en de nihilstelling van de Belastingdienst, ten opzichte van de totale schuldenlast ten tijde van het aanbod van 6 juli 2021 dus afgenomen, aldus schuldhulpverlening. Op 22 juni 2022 heeft schuldhulpverlening ter onderbouwing hiervan nadere stukken aangeleverd, waaronder een verklaring van de boekhouder van 25 oktober 2021, waarin hij verklaart dat de opgelegde aanslag inkomstenbelasting over het jaar 2018 (€ 32.045) op nihil is gesteld, en dat ook over het jaar 2019 en 2020 nadere aangiften zijn ingediend, die nog verwerkt moeten worden. Uit het bericht van schuldhulpverlening volgt dat de Belastingdienst een en ander nog niet schriftelijk heeft kunnen bevestigen, en dat er vooralsnog € 53.335 aan belastingschuld openstaat. Schuldhulpverlening geeft aan dat dit bedrag nog naar beneden zal worden bijgesteld omdat nog niet alle aangiften afgerond en verwerkt zijn.
Zestien schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. [naam schuldeiser] stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 19.921,18 op verzoeker, welke 17,4% van de totale schuldenlast (zoals vermeld in het verzoekschrift) beloopt.

3..Het verweer

In haar verweerschrift heeft [naam schuldeiser] zich op het standpunt gesteld dat de aangeboden regeling niet goed is gedocumenteerd en dat deze onvoldoende financieel transparant is. De overige schuldeisers hebben immers ingestemd met een regeling waarbij de vordering van [naam schuldeiser] niet in meegenomen is, terwijl deze toch 17,4% van de totale schuldenlast vertegenwoordigt. Het oorspronkelijke voorstel van 6 juli 2021 is aldus gebaseerd op onjuiste gegevens. Bovendien merkt [naam schuldeiser] op dat zij eerst een voorstel ontving op
14 oktober 2021, echter zonder enige motivering. [naam schuldeiser] wijst op een uitspraak van de Rechtbank Den Haag d.d. 24 oktober 2018 waarbij de rechtbank heeft overwogen dat motivering onontbeerlijk is. Daarbij komt dat, met een aanbod van 1,07%, bezwaarlijk kan worden volgehouden dat de schuldeisers die met dat aanbod hebben ingestemd, (onredelijk) worden benadeeld door de weigering van [naam schuldeiser].
In de visie van [naam schuldeiser] heeft verzoeker voorts niet het maximaal haalbare aangeboden. De aangeboden regeling is immers gebaseerd op een Participatiewet-uitkering, terwijl de inkomenspositie van verzoeker de komende tijd nog zou kunnen verbeteren. Niet is
gesteld of gebleken dat verzoeker niet fulltime zou kunnen werken. [naam schuldeiser] wijst er daarbij op dat in de schuldsaneringsregeling wettelijke waarborgen bestaan om te verzekeren dat verzoeker voldoet aan zijn verplichting zich in te spannen voor een fulltime dienstverband.
Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft [naam schuldeiser] geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunten ter zitting toe te lichten.

4..De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van [naam schuldeiser] bij haar weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of [naam schuldeiser] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van [naam schuldeiser] een aandeel vormt in de totale schuldenlast van 17,4%. Als de schuldenlast inderdaad nog naar beneden moet worden bijgesteld ten opzichte van de schuldenlast zoals vermeld in het verzoekschrift, dan valt het relatieve percentage hoger uit, tot maximaal 30,34 % indien de totale fiscale schuld wegvalt.
Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk zestien van de zeventien schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan. Ter zitting is door schuldhulpverlening verklaard dat deze schuldeisers op de hoogte zijn gesteld van de bijkomende vordering van [naam schuldeiser] en dat zij hun akkoord niet hebben ingetrokken.
Gebleken is dat de vordering van de Belastingdienst nog zal moeten worden bijgesteld als gevolg van aangiften die (alsnog) zijn en zullen worden gedaan, welke deels nog niet (volledig) zijn verwerkt. De rechtbank acht het in beginsel onwenselijk dat de totale omvang van de vorderingen van de Belastingdienst nog altijd niet definitief is vastgesteld, terwijl het minnelijk traject reeds in mei 2021 is gestart. Op basis van de verklaringen van schuldhulpverlening en de ingeschakelde boekhouder is echter voldoende aannemelijk geworden dat de aanpassingen die nog zullen volgen, niet benadelend zullen zijn voor de schuldeisers, nu een significante verlaging van de belastingschuld wordt verwacht.
Dat betekent dat het uitkeringspercentage naar waarschijnlijkheid hoger zal uitvallen en de schuldeisers niet worden benadeeld als gevolg van de nog te wijzigen schuldenlast. Omdat gekozen is voor een prognose-aanbod biedt het voorstel ook ruimte voor aanpassingen in het voordeel van de schuldeisers.
De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten de Kredietbank Rotterdam. Het voorstel naar het oordeel van de rechtbank voldoende goed en controleerbaar gedocumenteerd, met inachtneming van de aanvullend ter zitting gegeven toelichting en nader overgelegde stukken. In haar verweerschrift heeft [naam schuldeiser] zich op het standpunt gesteld dat het verzoek onvoldoende gemotiveerd is. De rechtbank overweegt dat het aanbod is toegelicht in de aanbiedingsbrief en dat [naam schuldeiser] ook in de gelegenheid is gesteld om zich ter zitting verder te laten voorlichten. Dat [naam schuldeiser] er voor heeft gekozen om van deze mogelijkheid geen gebruik te maken, komt voor haar rekening.
De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoeker in staat moet worden geacht. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoeker niet beschikt over betaald werk. Verzoeker is door de uitkeringsinstantie in verband met medische klachten vrijgesteld van de sollicitatieplicht tot 14 oktober 2022. Ter zitting is gebleken dat verzoeker zich heeft ingespannen om het maximale aan de schuldeisers aan te bieden door alsnog met behulp van een boekhouder aangifte te doen, ter verlaging van de vorderingen van de Belastingdienst. Daarnaast heeft verzoeker verklaard dat hij een sollicitatie heeft lopen voor magazijnmedewerker, ondanks de vrijstelling van de sollicitatieplicht. Ter zitting is bevestigd dat er gedurende het minnelijk traject gereserveerd is voor de schuldeisers. Verzoeker heeft een prognoseakkoord aangeboden. Als verzoeker meer inkomen genereert, zal dat leiden tot een hogere aflossingscapaciteit wat ten goede komt aan de schuldeisers. Schuldhulpverlening zal toezien op de sollicitatieverplichting zodra deze voor verzoeker herleeft.
Door schuldhulpverlening is ter zitting verklaard dat aan alle waarborgen, die ervoor moeten zorgen dat verzoeker het maximale ten behoeve van zijn schuldeisers zal afdragen, is voldaan. Verzoeker zit in budgetbeheer. Het ontstaan van nieuwe schulden ligt niet in de rede.
Naar verwachting zal de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat hebben voor de schuldeisers dan in de situatie dat de wettelijke schuldsaneringsregeling op verzoeker van toepassing zou zijn, zoals subsidiair verzocht. Immers, de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal aanzienlijke kosten met zich brengen, bestaande uit salaris voor de bewindvoerder en griffierecht, die in mindering komen op hetgeen verzoeker zou kunnen afdragen in de schuldsaneringsregeling. Dat betekent dat toepassing van de schuldsaneringsregeling de schuldeisers minder zou opleveren dan bij het akkoord wordt aangeboden. De rechtbank is ook van oordeel dat verzoeker in beginsel aanmerking zou komen voor de wettelijke schuldsaneringsregeling met toepassing van artikel 288, derde lid Fw (de hardheidsclausule), mede gelet op de context waarbinnen de schulden zijn ontstaan, de inspanningen die schuldenaar heeft verricht om zijn eerdere tekortkomingen (als gevolg waarvan schulden zijn ontstaan) te herstellen en zijn motivatie om aan zijn medische klachten te werken.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoeker die vanuit een stabiele situatie zijn schuldenproblematiek wil oplossen en van de overige schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van [naam schuldeiser], die geweigerd heeft in te stemmen.
Het verzoek om [naam schuldeiser] te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.
[naam schuldeiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoeker niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.
De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoeker zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden en dat hij niet verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.

5..De beslissing

De rechtbank:
- beveelt [naam schuldeiser] om in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling;
- veroordeelt [naam schuldeiser] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoeker begroot op nihil;
- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;
- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.E. Prenger, rechter, en in aanwezigheid van
mr. N.A. Masrom, griffier, in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2022. [1]
De griffier is buiten staat
dit vonnis mede te ondertekenen

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.