Verzoekster diende een verzoek in tot toepassing van artikel 287a Faillissementswet om een dwangakkoord af te dwingen tegen vijf schuldeisers, waarvan twee schuldeisers weigeren in te stemmen met een aangeboden schuldregeling. De schuldregeling voorziet in een betaling van circa 4% van de totale schuldenlast, gefinancierd door een saneringskrediet, en is gebaseerd op de NVVK-norm. Verzoekster is gestopt met haar opleiding, ontvangt een Participatiewet-uitkering en kampt met psychische klachten waarvoor zij begeleiding krijgt.
De weigerende schuldeisers betogen dat verzoekster meer zou kunnen aflossen bij een wettelijke schuldsaneringsregeling, omdat zij volgens hen in staat zou zijn om fulltime te werken en de schuldsaneringsregeling betere waarborgen biedt voor arbeidsinspanningen. De rechtbank stelt vast dat verzoekster geen inkomen uit werk heeft, psychische problemen heeft en geen startkwalificatie bezit, waardoor zij een grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft.
De rechtbank weegt het belang van verzoekster en de meerderheid van schuldeisers die instemmen met het akkoord zwaarder dan dat van de weigerende schuldeisers. Het voorstel is deskundig getoetst en goed gedocumenteerd. De rechtbank oordeelt dat het aangeboden akkoord het uiterste is wat redelijkerwijs van verzoekster kan worden verlangd en dat het saneringskrediet een gunstiger resultaat oplevert dan de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Daarom beveelt de rechtbank de weigerende schuldeisers in te stemmen met het akkoord, veroordeelt hen in de proceskosten en wijst het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af. Het vonnis treedt in de plaats van vrijwillige instemming en is uitvoerbaar bij voorraad.